Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

I.3. Reynaerts "eerlijkheid"

Reynaert zou zonder meer van alle de hem toegeschreven misdaden vrijgesproken moeten worden volgens (een zeer plausibele interpretatie van) hs. B, dat daarin het meest consistent is. Wel is duidelijk, dat Reynaert moreel schuldig is aan de mishandeling van sommige andere dieren. Daardoor kan hij in hs. B2025 auctoriaal "den scalken roden" genoemd worden. Ook zelf geeft Reynaert toe, dat de andere dieren niet helemaal ten onrechte boos op hem zijn:

     Al is die coninc gram op my

     Ende mennich die hier is by

     Wats dan dat heb ic wel verdient

     Jc ward noch licht hair liefte vrient

     Nochtan en deed ic hem nemmer goet (B2045-2049),

maar men lette op B2048; Reynaert weet wat zijn sterke punt is:

     Nochtant soud ic se wel behalen

     Mocht ic gebruken mijnre talen

     Jc weet so mennigen losen vont (B2051-2053),

door middel van zijn vaardigheid in het spreken was het hem immers al eerder gelukt de dieren naar zijn hand te zetten.

   In hs. B is Reynaert niet alleen onschuldig, hij komt ook als het uitgesproken eerlijkst van alle dieren naar voren. 

 

Als Grimbeert bijvoorbeeld naar huis gegaan is en Tybeert, Bruun en Ysegrim, respectievelijk allen (versie B) naar de galg, begint Reynaert zijn grote openbare biecht. Reynaert wil deze biecht volgens de hss. A2054-2060 en F2037-2043 houden om te voorkomen dat later iemand van een misdaad beschuldigd zou worden, die Reynaert gepleegd heeft:

     Ende daer binnen so sal ic al

     Den volcke mine biechte conden

     Jn verlanessen van minen zonden

     Hets beter dat al tfolc verstaet

     Mine diefte ende mine ondaet

     Dan si namaels eeneghen man

     Mine ouerdaet teghen an197,

met in B2079-2086 als extra element:

     [...] op dat dair by

     Mijn ziel des onbecommert sy (B2081-2082),

zodat:

     Jc sal den doot te sachter liden (B2086).

   De eerste keer echter dat Reynaert iets werkelijk opbiecht, is tegenover Grimbeert geweest bij diens indaging198. Deze biecht verschilt in de overgeleverde versies opmerkelijk op details. Vergelijken we het relaas van de verschillende "misdaden", waarvan we eerder in het verhaal getuige hebben mogen zijn, dan blijkt al gauw dat de versie van hs. B het dichtst bij de waarheid komt, terwijl de hss. A en F overigens niet echt leugens bevatten, maar wel een voorstelling van zaken die de rol van Reynaert in de diverse vergrijpen minder groot doet lijken. En waarom ook zou Reynaert de zaken rooskleuriger voorstellen dan ze zijn? Als hij eerlijk overkomt, zal hij des te meer aan sympathie winnen. Dat zal zijn zaak alleen maar ten goede komen.

 

Met betrekking tot de afranseling van Bruun staat in de hss. A1463-1464 en F1453-1454:

     Jc dede minen oem brune

     Al bloedich maken sine crune

(= ik zorgde ervoor dat Bruun een bloedig hoofd kreeg); in hs. B1503-1504 neemt Reynaert de schuld hiervan geheel en al op zich:

     Ende want ic mynen oom brwn

     Al bloedich maecte syne crwn.

Ten overstaan van Nobel repliceert hij de aanklacht Bruuns kruin "bloedich" gemaakt te hebben (A1815-l816, F1803-1804 en B1833-1834) in F1809-1811 als volgt:

     Her .Coninc. wat bestaet mi dat

     Of hi lamfreits honich at

     Ende hem die dorper laster dede.

Die "dorper" waren echter niet de directe oorzaak van Bruuns bloedige hoofd. Dat heeft Bruun zichzelf aangedaan door zich uit de klemmende boom terug te trekken199 (zie A738-745, F724-731 en B791-796:

     Ende sette al ieghen al

     DOe hi dat gheruchte hoorde

     Hi spranc vp so dat hem scorde

     Van sinen aensichte al die huut

     Al brochte brune dat hoeft huut

     Met aerbeide ende met pinen

     Nochtan liet hi daer van den zinen

     Eene oere ende beede sine lier).

In hs. B1841 1843 staat dan ook:

     Heer coninc wat bestaet my dat

     Off hi lantfreits honich at

     Ende hem die keer lachter deden,

terwijl (het corrupte) D1841-1843 nog een verdere nuancering heeft. Hier zegt Reynaert namelijk niet "wat bestaet my dat" (= wat kan ik eraan doen/wat heb ik ermee te maken?), in D1841 stelt Reynaert: "wat bescaet mij dat", oftewel: wat zou ik daar voor schade/schuld aan hebben? Reynaert heeft daar werkelijk niets mee te maken! Het is Bruuns eigen schuld geweest en ook dat hij daarna werd "te blauwen of versproken" (A1823 en F1813) dan wel "geslegen of versproken" (B1845), heeft Bruun in meer of mindere mate aan zichzelf te wijten200.

 

Iets overeenkomstigs zien we met betrekking tot de indaging door Tybeert201. In alle versies biecht Reynaert op dat hij Tybeert muizen deed of leerde vangen en hem daarbij "zeere dede slaen" (A1466, F1456 en B1506). In de hss. A1467 en F1457 vervolgt hij dit met

     Tes papen huus daer hi spranc int net.

Dit laatste is in hs. B1507 geparafraseerd als:

     Want icken int strick lopen dede,

waar Reynaert door toe te geven dat hij Tybeert in de val liet lopen de (morele) verantwoordelijkheid voor de mishandeling duidelijker op zich neemt.

   Na verteld te hebben hoe hij de kinderen van Cantecleer een voor een verschalkt heeft, biecht Reynaert vergrijpen op die nog niet eerder in het verhaal beschreven werden. We mogen echter uit de voorgaande drie bekentenissen al afleiden, dat Reynaert bezwaarlijk een aperte leugenaar ten overstaan van Grimbeert genoemd kan worden. Hoogstens kan voor wat de hss. A en F betreft, gesteld worden dat hij de zaken zodanig voorspiegelt, dat niet álle schuld hem treft, voor zover tenminste sprake kan zijn van schuld. Volledigheidshalve zullen we de rest van de bekentenissen toch ook bekijken, voor zover er verschillen in de versies optreden.

 

In A1481, F1469, B1519 en D1519 komt Ysegrim ter sprake. De passages F1469-1470, B1519-1520 en D1519-1520 komen inhoudelijk overeen met A88-93, F88-93 en B98-103, waar Ysegrim zegt, dat al het perkament dat te Gent gemaakt wordt, niet genoeg zou zijn om Reynaerts misdaden jegens hem op te kunnen schrijven. Reynaerts eerste vergrijp jegens Ysegrim is, dat hij hem "oem" noemde, in A1482, F1471 en D1521 uit "baraet" (=list); in B1521 uit "verraet", wat negatiever is (maar daarom nog geen misdaad genoemd mag worden).

   Een zelfde nuanceverschil (al is het meer inhoudelijk) vinden we in de bewering, dat Ysegrim te "elmaren" bijna het leven liet. In B1538 en D1538 lezen we:

     Was hem wel na genomen tleuen,

wat een tamelijk neutrale formulering is. Doch na de bekentenis in A1486-1487, F1476-1477, B1526-1527 en D1526-1527, dat Reynaert hem beide voeten aan het klokkentouw deed binden, wordt duidelijk dat Reynaert daar wel degelijk achter zat, ook al bond Ysegrim zich blijkbaar zelf en uit eigen verkiezing vast (A1488-1489, F1478-1479, B1529-1530 en D1526). In F1488 en A1498 staat echter in plaats van het neutrale “Was hem wel na genomen tleuen”:

     Hadden si hem na genomen tleuen,

waardoor de schuld eerder op de toegestroomde monniken van Elmare geschoven wordt. Ook in dit geval kan slechts gesproken worden van een nuanceverschil, maar in die nuancering lijkt de versie van de hss. B en D eerlijker. Reynaert hoeft namelijk geen nadruk te leggen op de Ysegrim mishandelende monniken, want Ysegrim had zichzelf aan het klokkentouw gebonden, zelf de klok geluid en was er zodoende zelf de oorzaak van dat de monniken naar hem toe kwamen en hem een aframmeling gaven, ook al deed hij het vastbinden op aanraden van Reynaert.

   Ook heeft Reynaert Ysegrim eens meegenomen op hoenderjacht (A1609-1645, F1599-1635, B1622-1659 en gedeeltelijk D1639-1655). Het geval komt erop neer, dat Reynaert Ysegrim

's nachts door een gat in een dak laat vallen. De bewoners van het huis ontwaken daardoor en geven Ysegrim een vreselijk pak slaag. Reynaert is hier (alweer) totaal onschuldig aan. Hij geeft Ysegrim alleen te verstaan wat die moet doen om de hoenderen te kunnen bemachtigen (A1611-1621, F1601-1611 en B1624-1634). Ysegrim wordt daardoor uiteindelijk de dader van de inbraak en eventuele diefstal. Maar ook hier is er een significant verschil in beschrijving van de situatie in de verschillende handschriften. Het moge duidelijk zijn, dat Reynaert zich geen juridische zorgen hoeft te maken; er is dus geen enkele reden tot liegen of verdraaien van de werkelijkheid. Hij had het verhaal zelfs in zijn geheel weg kunnen laten, maar doet dat niet omdat hij tegenover Grimbeert duidelijk wil laten uitkomen dat hij de plannen bedenkt en de raad geeft hoe Ysegrim het best kan handelen. Als Reynaert vertelt hoe Ysegrim het gat in kruipt, zegt hij (tegen Grimbeert) in hs. A1634-1636:

     Jc sach dat icken hoenen mochte

     Ende hoendene so dat hi voer

     Van daer bouen vp den vloer,

in hs. F1623-1625:

     Jc sach dat icken honen mochte

     Ende hortene dat hi ouer voer

     Dus viel hi neder op die vloer

en in hs. B1647-1649:

     Jc zach dat ic hem honen mochte

     En stieten dat hi ouer voer

     En quam geuallen op die vloer.

Ook hier lijkt het erop, dat de versie van B het meest eerlijk is. Het mag zeer onwaarschijnlijk van Reynaert geacht worden te denken, dat Grimbeert zou geloven dat Ysegrim in het gat gehoond zou zijn (A1635). Hs. F1624 is plausibeler: Reynaert hoort de wolf vallen, al of niet nadat hij hem gehoond heeft. In hs. B1648 zegt hij van zichzelf, dat hij Ysegrim erin schopte. En waarom niet? Waarom zou hij deze inbreker zijn bestraffing niet ook laten ondergaan?202

 

In de hss. A1765-1767, F1753-1755, B1784-1787 en D1784-1787 lezen we vervolgens dat Reynaert het hof binnengaat, alsof hij "sconinx sone" was

     Ende hi niet en hadde mesdaen (A1767 en F1755),

terwijl B1786-1787 en D1786-1787 hier hebben:

     Ende hi oec van enen hair

     Tegens nyement en had misdaen.

Ook deze nuancering in de hss. B en D is niet geheel zonder belang als we ons realiseren, dat het er om gaat of er benadeelde dieren aan het hof aanwezig zijn, die een terechte aanklacht tegen Reynaert indienen. Dat Reynaert een en ander op zijn kerfstok heeft, staat als een paal boven water - we hoeven alleen maar te denken aan alle hoenderen die hij opgepeuzeld heeft -, maar het gaat erom of hij daarop aangesproken wordt. Bovendien heeft hij in veel gevallen niet zelf jegens een ander misdaan, dat deden de dorpelingen, het gezin van de pape, de monniken van Elmare en anderen voor hem. Reynaert mag dan moreel inderdaad wel schuldig zijn aan de mishandeling van een hoop dieren, juridisch gezien kan hem niets of slechts met heel veel moeite iets aangewreven worden.

 

Vorig hoofdstuk: I Hersinde&#;s afstraffingVolgend hoofdstuk: I Reynaerts veroordeling