Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

V.2. Motieflijnen

Lulofs (1983) merkt op, hoe Grimbeerts uitspraak ten aanzien van Reynaert, die

     Binnen desen naesten jare

     Sone hat hi vleesch no wilt no tam (A270-271, F258-259 en B298-299),

frappant klopt met de werkelijkheid van het verhaal. Reynaert heeft inderdaad tevergeefs Cuwaert ("wilt") de keel willen afbijten en ook heeft hij zonder haar tot zijn voedsel te kunnen nemen Coppe ("tam") doodgebeten. "Ondertussen moeten we opmerken hoe hecht de structuur van het verhaal is, waar verschillende feiten vooruitwijzen of terugkoppelen, waardoor ze extra functioneel worden" (p. 212). De functie van de op elkaar betrokken elementen, is het verhaal een geheel te laten zijn. Tezamen zijn beide elementen te zien als een zogenaamde motieflijn. Meerdere motieflijnen zouden op hun beurt een motief kunnen vormen. In elk verhaal zijn motieflijnen te onderkennen, zo ook in het middeleeuwse epos over de Reynaert. Motieflijnen zijn segmenten in het verhaal die in de beleving gegeven zijn en door de act van het lezen verbanden leggen tussen reeksen van zinnen. Een motieflijnstuk is het verband tussen een reeks van opeenvolgende zinnen. Datgene, wat de lezer als gemeenschappelijk kenmerk van uiteenliggende lijnstukken in het verhaal opvat, waardoor het hem mogelijk is deze lijnstukken als een continue lijn te zien, wordt een motief genoemd512. Deze motieflijnstukken nu kunnen regressief of anticiperend zijn, dat wil zeggen dat een segment achteraf aansluit bij wat er in het motief gebeurd is, dan wel vooruitloopt op wat nog moet gebeuren in het motief. Ten aanzien van de "omwerker" van Reynaerts historie zegt Muller (1884) reeds: hij "veranderde veel in de tekst van het gedicht; meestal om alles meer in bijzonderheden uit te werken, maar ook dikwijls met een duidelijke bedoeling, hetzij om meer verband in het verhaal te brengen, hetzij om het te kunnen aanknoopen aan zijn vervolg. Vaak strekten die veranderingen niet ten voordeele van het geheel, maar meermalen werd er toch ook door hem een trek aan het verhaal toegevoegd, die werkelijk tot opluistering strekte, en dikwijls waren zijne veranderingen verbeteringen513" (p. 144). Zo ziet Muller op p. 147-148 de dieren Lampreel en Corbout uit Reynaerts historie als tegenhangers van Cuwaert en Cantecleer uit Van den vos Reynaerde514.


Vorig hoofdstuk: V De logische ontwikkelingen in hs BVolgend hoofdstuk: V Incidentele motieflijnenNiet alle motieflijnstukken behoeven echter tot constructie van een (verhaal)motief te leiden Soms is een lijnstuk niets anders dan een verklaring van wat eerder of later in het verhaal gebeurt en meer niet, soms ook klinkt er alleen nog maar iets in door van wat eerder aan de orde geweest is Ik zou deze motieflijnen "incidentele motieflijnen" willen noemen Een onderzoek naar het gebruik van motieflijnstukken zou de structuur van de tekst bloot moeten leggen Ook hierbij moet dan gekeken worden naar de meest consistente opbouw, als we willen komen tot uitspraken aangaande de authenticiteit van een tekst