Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

V.1.2. De logische ontwikkelingen in hs. B

Behalve dat gesteld kan worden, dat de hss. A en F (alsmede E en G) onlogische elementen bevatten, zou men ook kunnen stellen, dat de gebeurtenissen in hs. B elkaar logischer opvolgen dan in de andere versies het geval is. In hs. B worden gebeurtenissen relatief vaker en vaak beter gemotiveerd. Hier zullen we dus niet kijken naar negatieve elementen in de versies; uitgegaan wordt daarentegen van elementen die de samenhang van de tekst ondersteunen en bewerkstelligen.

Bruun is, na het verschijnen van Cantecleer met het lijk van Coppe, de eerste die Reynaert moet indagen. Als Bruun bij Mapertuus gearriveerd is, zegt hij, dat Reynaert meteen mee moet komen naar het hof. Reynaert antwoordt dan niet meteen, maar broedt eerst een plan uit. Alleen in hs. B587-589 excuseert Reynaert zich voor het lange wachten502:

     Jc heb ter stont vesper gelesen

     Dat dedet dat ic vluchts niet en quam

     Doe ic v tale eerst vernam,

wat ook nog eens perfect aansluit bij het verhaal, waarmee Cantecleer eerder gekomen was, namelijk dat Reynaert zich uitgeeft voor een kluizenaar. Ook Muller (1884) is van mening dat "de omwerker hier zijn origineel verbeterd" heeft. Behalve reeds genoemde "reinaerdie" motiveert Muller dat als volgt: "1e de poort is bij hem gesloten: hierdoor wordt B.'s roepen en het niet dadelijk tot elkaar komen van B. en R. verklaard; in I wordt dit in 't midden gelaten; 2e hij voegt er B559 binnen bij, en verduidelijkt daardoor de voorstelling: immers indien R. buiten voor de poort lag (zooals men het in I zeer wel zou kunnen opvatten), ware B.'s roepen: "sidi in huus" en R.'s heengaan onverklaarbaar; ook dit wordt in I in 't onzekere gelaten; 3e R. komt bij hem spoediger buiten, vóór het gesprek over den honig, en begaat dus niet de onbeleefdheid (zooals in I), B. zoo lang buiten te laten wachten, en door de poort heen, althans terwijl hij zelf binnen is, een lang gesprek met hem te voeren, iets wat ons van den (vooral tegen zijne vijanden) beleefden Reinaert ten zeerste verwondert en wat bovendien op zich zelf ook nauwelijks mogelijk is."503

   Reynaert zegt dan in B598:

     Jc wair te houe comen morgen,

wat in ieder geval de belofte inhoudt, dat hij gekomen zou zijn. In A554-555 en F540-541 staat:

     Ic soude te houe sijn ghegaen

     Al haddet ghi mi niet gheraden,

waarbij hij Bruun meer dan in hs. B in zijn waarde van indager laat. Reynaert gaat dan verder met het verhaal dat hij ziek geworden is van het eten. Bruun, nieuwsgierig geworden, vraagt wat hij dan wel gegeten heeft. In A563 en F449 antwoordt Reynaert:

     Heere brune ic hat crancke haue,

waarmee, naar later blijkt, honing bedoeld is.

   In B610-614:

     Want ic heb gegeten so veel

     Dat mijn buuck en mijn keel

     My duncken spliten ic bin so sat

     Het was nywe spise die ic at

     Dair om nam icker veel te meer,

gevolgd door B617-618 (op Bruuns vraag wat dat dan was):

     Wat holp v dat . al seid ic v dat

     Jc at een cranck haue,

maakt Reynaert het aantrekkelijker voor Bruun. Hij zegt niet expliciet dat hij iets verkeerds gegeten heeft, alleen dat hij te veel gegeten heeft. Dit kan tevens verklaren, waarom Reynaert van plan was pas de volgende morgen, als het eten gezakt is, naar het hof te komen.

   Bruun wordt door Reynaert naar de tuin van Lantfreit gebracht en tot bij de honing gevoerd. In een poging de honing te bemachtigen, komt hij dan in de boom, waarin de honing zich zou moeten bevinden, vast te zitten. In A699 en F685 komt Lantfreit bij toeval langs (er wordt in ieder geval geen causaal verband gelegd met de gevangen Bruun), in B746-747 wordt de komst van de timmerman wel gemotiveerd, want Bruun

     Ende maecte so groot geluut

     Dat lanfreit mitter haest quam wt.

 

Wanneer Reynaert later Tybeert in de strik heeft laten lopen bij de schuur van de "pape", zegt hij iets vreemds, namelijk dat hij wilde dat behalve Tybeert Ysegrim daar ook gevangen was (A1222, B1240, terwijl in F1208 eveneens duidelijk op Ysegrim gedoeld wordt). Het vreemde hieraan is dat Ysegrim daarbij in A1222 aangeduid wordt als "die mordenare", in F1208 en B1241 als:

     Die felle dief die mordenare.

Tot nu toe is echter alleen sprake geweest van Ysegrim als een bedrieger (A206, F196 en B209). Op zijn minst overdrijft Reynaert in elk van de drie versies (voor zover de daden van Ysegrim bekend zijn). Hs. B1244 heeft overigens als enige een argumentatie waarom Reynaert de wolf erbij had willen hebben in de val:

     So dic heft hi my lede gedaen.

Behalve als argumentatie heeft deze passage nog een andere functie: een onderstreping van het recht dat Reynaert aan zijn zijde heeft voor wat betreft zijn vete met Ysegrim. In de gegeven situatie heeft Reynaert geen enkele reden Ysegrim onterecht zwart te maken. Alleen Tybeert kan Reynaert horen, en als alles naar wens verloopt, zal die niets verder kunnen vertellen. De lezer/toehoorder moet hierdoor wel onwillekeurig de indruk krijgen dat wat Reynaert hier zegt, wel waar zal zijn!

Het is duidelijk dat de vete tussen Reynaert en Ysegrim de belangrijkste van het verhaal is. Als Reynaert gevangen genomen is, is het dan ook Ysegrim die in hs. B de leiding bij de executievoorbereidingen op zich neemt. Hij wordt daar min of meer toe gedwongen doordat Reynaert hem in B1963 persoonlijk aanspoort voort te maken met de voorbereidingen van de voltrekking van het vonnis (dit persoonlijke aanspreken is logischer dan het tot alledrie gerichte "ghi heeren" van A1934 en F1925 omdat het direct volgt op het moment dat juist Ysegrim boos wordt, omdat hij aan de dood van zijn twee broeders herinnerd wordt). Ysegrim zegt dan tegen Tybeert:

     Tybeert haest v ende clymt op

     Knoopt aen die lijnde ende maect den strop

     Ghi zijt die lichte van ons drien

     Ghi sult uwen wil noch huden zien

     Van hem dien gi so zeer haet (B2061-2065),

en Bruun commandeert hij:

     Brwn wacht dat hi v niet en ontgaet

     Hout hem vast ende ziet wel toe (B2066-2067),

terwijl Ysegrim van zichzelf zegt:

     Jc moet pinen dat ic doe

     Die leder op rechten hem op te gaen (B2068-2069).

 

Wellicht maken de drie zo'n haast omdat het bijna avond is (A1906 en B1935): een veroordeelde moest worden gehangen voor zonsondergang504. Het zou dan ook tijdverspilling zijn Reynaert achter te laten bij de andere dieren om hem even daarna op te gaan halen, zoals in A2022-2029 en F2005-2006 gebeurt, waar alleen Ysegrim, Bruun en Tybeert naar de galg gaan en waar vermeld wordt:

     Tybeert sprac nu haesten wy

     Ende mettien woerde spronghen zi

     Ende liepen voert arde blide

     Ende pijnden hem ten strijde

     Te springhene ouer meneghen tuun

     Ysegrijn ende heere bruun

     Tybeert volchde hem naer (A2017-2023 en F2001-2006)505.

Hoe de tevoren verschrikkelijk verminkte Bruun hier "arde blide" over de heggen in de buurt moet springen, wordt aan de fantasie van de lezer overgelaten.

   In beide versies begint Reynaert aan zijn openbare biecht, terwijl de galg in gereedheid gebracht wordt. Hij vertelt dit te doen om onschuldigen te beschermen. In hs. B2079-2082 wordt daarnaast een ander aspect genoemd:

     Dat ic mijn biecht doch mach spreken

     Ende voor v allen mach mijn gebreken

     Claerlic vertrecken op dat dair by

     Mijn ziel des onbecommert sy.

In de gegeven situatie lijkt deze toevoeging in hs. B zeker logisch: Reynaert gaat immers sterven en wil niet met een onopgebiechte zonde voor God verschijnen. Reynaert krijgt daarmee bovendien het volk achter zich, te meer als hij zijn inleiding eindigt met:

     Jc sal den doot te sachter liden

     Ende bid alle dan voor my

     Dat god mijnre zielen genadich sy (B2086-2088),

blijkens B2089-2093:

     Alle die geen die dese tael hoorden

     Dien iamerden van synen woorden

     Ende seiden het wair een cleyn bede

     Ende baden den coninck dat hi dede

     So . dats hem die coninck gaff oorloff,

waarna hij een begin kan maken met zijn grote openbare biecht. Een beperking moet hierbij in hs. B gegeven zijn omdat Ysegrim, Bruun en Tybeert binnen gehoorsafstand zijn (waarin waarschijnlijk ook de reden gelegen is, dat de raaf aan het eind van Reynaerts biecht in hs. B2799 naar de galg loopt om Ysegrim, Tybeert en Bruun, die druk bezig zijn, op de hoogte te stellen, terwijl hij in A2797 en F2765 naar deze drie toe vliegt en Bruun en Ysegrim minder moeite hoeven te doen in B2811 dan in A2811-2812 en F2779-2780 om later bij Reynaert en Nobel terug te geraken). Opvallend is dan ook, dat in hs. B de passages waarin Reynaert spreekt over Ysegrim als over zijn "oem" ontbreken!506. Dit gebeurt in de andere versies wel (A2120 en F2102, en A2131 en F2113), maar in hs. B niet.

Maar Reynaert heeft nog een andere, verborgen reden om zijn biecht te houden. Hij zegt in B2212-2215 er het zwijgen toe te zullen doen,

     En dede my die zorge vander hellen

     Dair men seit dat si in quellen

     Die hier weten verraet off moort

     Ende dat niet en brengen voort,

wat hout snijdt, want Reynaert gaat vertellen dat hij op de hoogte is van verraad tegen de koning. In de overeenkomstige passages in de hss. A2195-2198 en F2177-2180 is in dit verband alleen sprake van moord. Reynaert zou echter onmogelijk van een moord kunnen berichten; die heeft hij volgens zijn verhaal immers verijdeld door de schat van zijn vader te stelen. Deze passage komt in hss. A en F derhalve neer op een loze opmerking.

   Reynaert vertelt vervolgens het relaas van de voorgenomen coup. Hij keert zich daarin van zijn vader af, wat op zich niet zo'n positieve houding is, doch in B2508-2509 motiveert hij dat op dusdanige wijze, dat hij de gelegenheid schept zichzelf daarvoor op de borst te mogen slaan:

     Ende ic heb mijn vader begeuen

     Om den coninc te behouden sijn leuen.

Hierdoor kan de sluwe Reynaert geen halfheid verweten worden, in de andere versies, waar deze motivering ontbreekt, behoort dit wel tot de mogelijkheden.

   In zijn verhaal laat Reynaert de naam van het plaatsje Kriekeputte vallen, waar de schat verborgen zou zijn507. Koning Nobel wil dan natuurlijk graag weten, waar dat plaatsje ligt. Eerder is er al op gewezen, dat de "vroede" Nobel in hs. B meer in zijn waarde gelaten wordt dan in de andere versies Niet alleen laat Nobel blijken van meer plaatsen gehoord te hebben, hij stelt er ook duidelijker, dat hij denkt dat Kriekeputte een verzonnen naam is (B2643-2648). Ook het antwoord van Reynaert in B2651-2654 doet meer recht aan de "vroetscap" van de koning dan de corresponderende versregels in hss. A en F (en naar we mogen aannemen E, hoewel dat hier zeer corrupt is). Als getuige wordt Cuwaert opgeroepen, maar die moet alweer snel de mond gesnoerd worden. Dat gebeurt in hs. B op een logischer plaats dan in de andere versies, terwijl Reynaert hier 's konings gedachten meer onder woorden brengt met:

     Mijn heer die coninc en begeert nv

     Niet te weten van v meer (B2703-2704)

dan in de overige versies het geval is:

     Mijn heere de .coninc. ne heeft thuwaert

     Gheene sake te sprekene meer (A2686-2687, F2657-2658 en E2657-2658).

Daarna weet Reynaert de koning te overtuigen en gaat hij op weg (in gezelschap van Bellijn en Cuwaert) naar Mapertuus. Daar ontdoet hij zich, samen met de rest van het gezin, van Cuwaert. In B3131-3132 staat dan:

     Haer feest en was niet clene

     Want kuwart had een vet lijff,

wat m.i. beter in het geheel past dan het positief gestelde:

     Haren rauwe was wel cleene

     Dat cuaert hadde verloren tlijf

van A3131-3132, F3097-3098 en E3097-3098, ook al omdat de reden dat gesproken wordt van een groot feest, verduidelijkt wordt: Cuwaert is een vette haas, en hadden alle versies dat niet net vermeld in A3128, F3094, B3128 en E3094:

     Desen goeden vetten hase?!

   Meteen na dit feestmaal legt hij Hermeline zijn vluchtplan voor. Alleen in hs. B3148-3174 omkleedt hij het plan met een reden, waardoor Hermeline (en de lezer/toehoorder) de link kan leggen met de moord op Cuwaert508: Nobel zou hem hangen als hij alles wist, want hem was een verhaal van een verborgen schat op de mouw gespeld en als hij zou ontdekken dat hij bedrogen is, zou hij zeker woedend zijn. In de hss. A en F komt een overeenkomstige passage pas veel later (A3181-3187 en F3149-3155) voor en dan als motivering van afzien van de pelgrimage. Nobel zou zo woedend zijn, dat zelfs dat niet meer zou helpen.

   Cuwaerts kop wordt in de "scerpe" aan Bellijn meegegeven om aan de koning te geven. Volgens A3332 komt de ram daar "een lettel na middach" aan, volgens F3300 en B3338: "een luttel vor middach". B3337-3339 geeft als enige een motivering van het vermelde tijdstip:

     Ende haeste so seer van reynaert

     Mit lopen. dat hi voor middach

     Quam dair hi den coninc sach

door het gebruik van het werkwoord "haeste". Vandaar de vermelding van het tijdstip "voor middach", wat dus snel moet zijn. Hs. F heeft die motivering niet, wel het tijdstip. Nu kan het zijn, dat de kopiist van A gekeken heeft naar de informatie die verkregen is uit de passages waarin Bruun en Tybeert Reynaert indagen en die hier (ongemotiveerd) overgenomen heeft. Deze kopiist moet dan van een tekst als F uitgegaan zijn, want de versies A en F zijn hier bijna identiek, op de tijdsvermelding na. De kopiist van F is dan op zijn beurt waarschijnlijk van een tekst als van hs. B uitgegaan, omdat beide versies spreken van "vor middach", maar deze kopiist vergeet dan melding te maken van de haast die Bellijn gemaakt heeft.

   Aan het hof zijn het Botsaert (A3365) of Bockart (F3330), die samen met Bruneel (A3367 en F3335) dit pakketje aanneemt; in B3366-3372 zijn het Koekaert en Tybeert die dit doen. Eerder was de figuur Bruun (met een verwijzing naar zijn mishandeling) al opnieuw vermeld bij Bellijns aankomst (A3335, F3303 en B3343) en nu, in B3371, wordt de ander die Reynaert indaagde en dat bekopen moest ten tonele gevoerd. Bellijn heeft Reynaerts raad inmiddels eveneens opgevolgd en verteld de brieven geschreven te hebben (A3359-3360, F3327-3328 en B3359-3360). Des te duidelijker wordt het, dat Reynaert niet te vertrouwen is (en dat vooral in hs. B omdat hier de drie dieren die hem vertrouwen geschonken hebben en daarmee hun eigen graf gegraven hebben vlak na elkaar genoemd worden).

   Vervolgens wordt Bellijn aan Bruun, Ysegrim en Hersinde als genoegdoening gegeven,

     Na dat hi selue heeft ghelyet

     Dat hi cuaerde verriet (A3418-3419),

of zoals het in F3387-3388 staat:

     Hi heuet hem seluen an getiet

     Dat hi cuarde den hase verriet.

Maar hs. B3428-3429 heeft hier de veel preciezere en daardoor correctere lezing:

     Want hijt selue lijt al bloot

     Dat hy raet gaff tot kuwaerts doot.

   Tot zover: eind goed, al goed in hs. B, en Nobel besluit "sijn hoff" met twaalf dagen te verlengen. En opnieuw:

     TOt desen houe quam mennich dier (B3482).

Weliswaar waren alle dieren (behalve Grimbeert en zijn verwanten) al aan het hof, maar nu is het feest. Wellicht is dat verschil met het "hoff" tot dan toe aangegeven met het woordje "desen"509.

Twee inconsequenties zijn echter nog wel te melden in het vervolg van hs. B510. Ten eerste staat in B4455 de tijdsvermelding:

     Tegens pijnsteren die ons nv naect,

terwijl twee weken daarvoor ook reeds gesproken wordt van:

     HEt was op enen pijnxster dach (B45, A41 en F41).

Verder blijkt in B4473 Reynaerts oudste zoon opeens de naam van de vader te dragen, terwijl in B1453 dat voorrecht aan de jongste zoon verleend was. Of zijn "reynaert mijn outste zoen" en

     Mynen ioncsten soen reynaerdijn

twee verschillende kinderen, onderscheiden door middel van de woorden "outste" en "ioncsten"511?

 

Vorig hoofdstuk: V Logische elementen van B versus A en FVolgend hoofdstuk: V Motieflijnen