Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

V.1.1. Logische elementen van B versus A en F

Als Cantecleer aan het hof zijn relaas doet, vertelt hij, dat Reynaert als kluizenaar met een brief van de koning bij hem kwam en afscheid nam met de mededeling, dat hij nog gebeden moest zeggen. In A384-385 en F372-373 geeft hij Reynaerts woorden weer als:

     Jc hebbe middach ende noene

     Ende priemen te segghene van den daghe,

wat onzin zou zijn427. B412-413 heeft in deze passage niet alleen de juiste terminologie, maar ook de juiste chronologische volgorde:

     Jc heb noch sext ende noen

     Ende vesper te lesen vanden dage428.

Een moeilijkheid hierbij is wel, dat we Reynaerts woorden uit tweede hand leren kennen429. Toch lijkt mij geen duidelijke reden aanwezig, om de boel hier opzettelijk door elkaar te halen, of het zou moeten zijn dat we hier weer met een knipoog van Willam te maken hebben en Reynaert voorgesteld wordt als schijnvrome430.

Als Bruun op pad gaat om Reynaert in te dagen431, lijkt het hem "ouerdaet" (A499 en F485), dat iemand zo slecht zou kunnen zijn hem te honen. Eerder zei Bruun echter tegen de koning, dat hij het Reynaert betaald zou zetten als die hem zou honen (A491-493432, F477-479 en B519-521). Nu staat in B525 niet "ouerdaet", maar "onueruaert"; Bruun gaat

     Stout van moede ende onueruaert

     Datten reynaert honen soude (B525-526)

op weg. Dit past veel beter bij de eerdere passage, dan de zinsnede met "ouerdaet" uit de hss. A en F.

   Het woord "beriet" in A639:

     Ghi sult noch heden hebben sonder waen

     Also vele als ghi moghet ghedraghen

     Reynaert meende van groten slaghen

     Dit was dat hi hem beriet (A636-639),

is onlogisch, aangezien Reynaert Bruun echt niet de raad zal geven in elkaar geslagen te worden. F625 en B688 hebben hier beide het woord "behiet", wat zoveel betekent als "toewenste"433, en dat heeft hier meer zin, want Reynaert hoopt wel degelijk, dat Bruun geslagen en afgemaakt zal worden, ook al zegt hij in A668 en F654 "ontheert ende ontheruet" te zullen zijn als Bruun iets zou overkomen. Waarbij opgemerkt dient te worden dat het woord "ontheruet" niet op zijn plaats is, daar Reynaert toch niet tot de erfgenamen van Bruun zal behoren. Is hier het woord "oem" uit de volgende versregel (A669, F655 en B720) misverstaan? In elk geval is er in hs. B alleen sprake van "onteert" (B719). En als Bruun even later in de boom beklemd zit, lezen we bij A686 en F672, dat hij zich "met liste no met crachte" bevrijden kan. We hebben eerder gezien dat Bruun niet "listig" is - later in de tekst zal daar nog de nadruk op gelegd worden als Tybeert aangewezen wordt Reynaert in te dagen -; de enige eigenschappen die Bruun toegekend worden, zijn "sterc ende coene" (A690, F676 en B741). In B737 staat: "myt konsten noch myt crachten". Lantfreit laat dan niet lang meer op zich wachten434 en die zal Bruun volgens Reynaert in A705 en F692 eens inschenken, want

     Haddi gheten so souddi drincken (A706 en F691).

In hs. B wordt het "schencken" m.i. in een geheel andere betekenis gebruikt:

     Hier coomt lanfreit hi sal v slaen

     Saen nv schencken had dijs gegeten bet

     Het is goet dat men die spise wel net (B761-763),

namelijk het schenken (geven) van slagen. Bovendien wordt het spel van de vergelijking hier subtieler voortgezet, want natuurlijk zal Bruun niet te drinken krijgen van Lantfreit, bevochtigd worden zal hij wel435.

Ook in de passage, waarin Tybeert Reynaert mee moet proberen te krijgen naar het hof, komen woorden en zinsneden voor, die door hun logische samenhang met de rest van de tekst (of door hun logica op zich) een indicatie zouden kunnen geven van hs. B als meest teruggaand op een authentieke versie. Zo wordt Tybeert in A1013 en F999 beschreven als "cranc", naast "vroet", terwijl in B1035 alleen sprake is van "vroet". Van Tybeerts "cranc" zijn is in de rest van het verhaal dan ook geen sprake, integendeel: hij zal later een gezonde eetlust blijken te hebben. En voor het geval Reynaert niet mee mocht komen met de kater, beschikt Nobel dat men hem voor een derde keer zal indagen,

     Te lachtre alle sinen maghen (A1024 en F1010).

Maar alleen B1046-1047 heeft:

     Te scanden alle sijn magen

     Ende ouer hem rechten myt ongenaden,

wat in de toevoeging de belangrijkste consequentie van het indagen heeft, namelijk het berechten, waar het toch allemaal om begonnen is.

   Als Tybeert later samen met Reynaert bij de schuur van de pape aankomt, vernemen we dat de pape een zoon heeft, Martinet genaamd. Eerder, in de scène met Bruun, lezen we dat de vrouw van de pape Julocke heet436. Dat Julocke Martinet in A1278 "lieue neve martinet" noemt, is dan ook niet zo logisch437. Logischer is het "lieue sone martinet" van F1266 en B1297, te meer daar in A1235, F1221 en B1256 duidelijk gezegd wordt, dat Martinet "wecte moedre ende vadre". Evenzeer is het minder logisch, dat Julocke spreekt over "mijn scade ende mijn scande" in A1280 als Tybeert de pape aangevallen heeft. B1299 heeft hier dan ook "sijn scande ende scade", terwijl F1268 neutraal blijft:

     Dese scade ende dese scande.

Evenmin is het logisch dat in A1305 en F1293 van Reynaert gezegd wordt, dat hij

     Alleene ter herberghen waert

gaat, als Tybeert gevangen is in de schuur van de pape438. Het huis van Reynaert (want daar gaat hij heen) was een "herberg" te noemen, zolang er een gast zou zijn: Tybeert. Nu Tybeert geen (potentiële) gast meer is, heeft het geen zin nog langer over "herberg" te spreken. In B1321 staat dan ook, dat Reynaert

     Weder tot sinen castele waert439

gaat. Nu heeft hs. B nergens het werkwoord "herbergen", maar waar A en F dit hebben (A1082 en F1069) heeft B1105 wel de zin:

     Mer tauont wil ic sijn v weert440.

Misschien is dat de reden dat de kopiisten van A en F het woord "herberg" gebruikt hebben. Op zich sluit het er aardig bij aan, maar helaas wordt het gebruikt op een moment, dat het logischerwijs verkeerd moet worden geacht.

   Tybeert komt gehavend aan het hof terug. Reynaert wordt in alledrie de versies een dief genoemd (A1327, F1315 en B1345) en Nobel vraagt zijn raad dan ook wat er gedaan moet worden,

     Dat men reynaert ten rechte brochte (B1349),

tegenover:

     Hoemen reynaert ter redenen brochte (A1333 en F1321).

Eerder is er al op gewezen, dat ook hier versie B de voorkeur verdient.

 

De koning vraagt dan in A1347-1349 en F1335-1337:

     [...] wie es hier

     Die sijn hoeghe ofte sijn lier

     Wille setten in auontueren.

Het moet echter ook aan het hof al duidelijk zijn, dat het Reynaert er niet enkel om te doen is de dieren te verminken. In B1363-1365 zegt Nobel dan ook terecht:

     [...] wie is hier

     Die een oge off een lier

     Off sijn lijff set ter auentuer.

Grimbeert meldt zich vrijwillig om Reynaert voor de derde keer te halen.

   Onderweg biecht Reynaert hem het een en ander op, vooral t.a.v. Ysegrim. Hoe hij hem in het "lant van vermendoys" (A1510, F1500, B1546 en D1546) in een "spijker" lokte en hem zo veel liet eten, dat hij er niet meer uit kon komen. We kunnen dan meteen een fout in A1522-1523 signaleren, waar staat:

     Als hi weder huten gate

     Waende keeren huter noet.

Die nood komt pas als Ysegrim niet meer door het gat blijkt te kunnen. F1512-1513 heeft overigens het totaal onbegrijpelijke:

     Dat hi weder vten gate

     Weder keren sonder noet.

In hs. B ontbreekt een dergelijke aanduiding. Reynaert vertelt vervolgens hoe hij de "pape" naar de in de "spijker" gevangen Ysegrim lokte door hem een hoen te ontstelen. De "pape' liet dit natuurlijk niet zonder slag of stoot gebeuren. De beschrijving in de hss. A en F enerzijds, en B en D anderzijds geven een verschillende volgorde van gebeurtenissen. In A1546-1555 stelt Reynaert het als volgt voor:

     Dat tafel mes hi vp nam

     Ende stac de tafle datso vloech

     Verre bouen mi arde hoech

     Jn midden waerde vp den vloer

     Hi vloucte zeere ende zwoer

     Ende hi riep lude slach ende va

     Ende ic voeren ende hi na

     Sijn tafel mes haddi verheuen

     Ende brochte mi ghedreuen

     Vp ysingrijn daer hi stont;

F1536-1545 heeft kleine verschillen:

     Dat tafel mes hi vor hem nam

     Ende sloech de tafel dat die boech

     Daer na nam hise ende dase vloech

     Jn middewaerde den vloer

     Hi vloecte ende swoer

     Ende riep lude sla va

     Ende ic vor ende hi na

     Sijn tafel mes had hi op geheuen

     Ende brachte mi gedreuen

     Op ysegrime ende hi stonet.

De "pape" nam zijn mes, stak die in de tafel of sloeg op de tafel, waarna hij de tafel naar Reynaert gooide en vervolgens met opgeheven mes achter Reynaert aanliep. Nu kan volgens Verdams Middelnederlandsch handwoordenboek "steken" ook "stoten" betekenen, zodat de lezing van A ook kan zijn, dat de "pape" de tafel omstootte, en wel zo, dat die hoog boven Reynaert vloog en in het midden van de vloer terechtkwam. De plaatsaanduiding:

     Jn midden waerde vp den vloer,

zou hier dan de afstand aangeven die "omgestoten" wordt. In hs. F staat duidelijker, dat de "pape" de tafel opnam en wierp. In beide versies echter moet de "pape" over nogal wat kracht beschikken! In hs. B1580-1588 en D1580-1588 wordt het nog weer anders voorgesteld:

     Sijn tafelmes greep hi doe

     Ende werp na my mer ic ontvoer

     Dat mess bleeff steken in die vloer

     Hi stiet die tafel dat sy vlooch

     Ende volchde my myt stemmen hooch

     Roepende slach ende va

     Jc liep voor ende hi my na

     Ende myt hem luden een groot getal

     Die mijn quaetste meenden al,

met in D1583 de variant "stack". Hier pakte de "pape" het mes, wierp dat naar Reynaert (wat een logische eerste reactie lijkt), stootte vervolgens de tafel om en liep schreeuwend met anderen achter Reynaert aan. Het "slach ende va" van hss. A en F heeft m.i. minder functie, omdat daar niet gesproken wordt over anderen die met de "pape" de achtervolging van de vos inzetten. In A1562 en F1552 laat Reynaert dan het hoen, dat hij de "pape" ontstolen had, bij Ysegrim achter en gaat zijns weegs; in B1595 laat hij het hoen vallen en gaat

     Doort gat. dat ic wesen woude.

Nu betuigt Reynaert in A1559, F1549 en B1593 in verschillende bewoordingen zijn spijt erover, dat hij het hoen moest laten vallen. Welnu, het ging er in eerste instantie om, de pape naar Ysegrim te lokken. Het hoen was daartoe het middel. Van spijt kan dan ook alleen in hs. B sprake zijn, want alleen in de situatie waarbij Reynaert Ysegrims verblijfplaats betreedt, zou de "pape" de wolf sowieso ontdekt hebben, terwijl Reynaert zijn buit eventueel nog zou hebben kunnen verorberen. Had hij in de versie van A en F het hoen niet laten vallen, was de pape Ysegrim mogelijk voorbij gelopen zonder hem te zien. Spijt zou hier dus niet op zijn plaats zijn. En juist doordat Reynaert getuige is van wat er verder gebeurt, kan hij daarvan een verslag geven. In de versies van A1564-1604 en F1554-1594 is Reynaert weggelopen en zou hij dus onmogelijk kunnen vertellen wat er in de "spijker" allemaal voorgevallen was. En als Ysegrim dan ontdekt wordt, wordt hij door een aantal mensen (volgens A1568 en F1558 door zes mensen plus de "pape") afgeranseld. Dit wekt enige bevreemding omdat we in het voorgaande alleen de "pape" de achtervolging hebben zien inzetten, behalve dan weer in B1586-1587, waar Reynaert vertelt:

     Jc liep voor ende hi my na

     Ende myt hem luden een groot getal441.

Hoe het ook zij, Ysegrim wordt afgetuigd. Maar in de beschrijving daarvan staan in de versies van A1566-1604 en F1556-1594 nogal wat ongeloofwaardige details442. Allereerst vertelt Reynaert, dat kinderen uit het dorp Ysegrims ogen verbonden (A1585 en F1575), nadat hem een mes in het oog (A1567) of hoofd (F1557) gegooid was, wat Ysegrim "moest ghedoghen" (A1586 en F1576). Aan dit laatste zou nog wel een mouw te passen zijn, als we aannemen, dat Ysegrim vastzat in het gat van de "spijker". Vervolgens wordt Ysegrim uit het gat getrokken (A1588 en F1578), waarna hem een steen om de hals gebonden wordt en hij voortgejaagd wordt:

     Ende bonden hem an sinen hals

     Eenen steen ende lietene gaen

     Ende lietene diene honden saen443

     Diene ghinghen bassen ende jaghen (A1590-1593 en F1580-1583).

Het komt mij zeer ongeloofwaardig voor, dat men Ysegrim, ook al is het met een steen om z'n nek - "een typische straf voor vrouwen"444 - en achtervolgd door honden, laat gaan terwijl men hem geheel in de macht heeft. Maar goed, de achtervolging duurt voort tot Ysegrim erbij neervalt,

     Als of hi ware steen doet (F1587 en A1597).

Toen waren de kinderen blij,

     Si namene ende leidene vp eene bare

     Ende droughene met groten ghehuke

     Ouer steene ende ouer struke

     BUten dien dorpe in eene gracht

     Bleef hi ligghende al dien nacht (A1600-1604 en F1590-1594).

Dezelfde scène in hs. B1602-1617 wordt veel simpeler verteld. Daar worden stenen naar Ysegrim geworpen en de wolf wordt er geslagen tot hij erbij neervalt. Daarna slepen ze hem (er is geen sprake als zoiets luxueus als een "bare") buiten het dorp "in een graft" (B1615). Van alle ongeloofwaardige elementen uit A en F is in hs. B helemaal niets terug te vinden. Het enige vraagteken in deze versie kan geplaatst worden bij het uit de "spijker" halen van Ysegrim. Waarom hebben degenen die zich hier mee bezig houden Reynaert, die in B1595 door het gat gekropen is en zich dus in dezelfde ruimte als Ysegrim moet bevinden, niet mee naar buiten genomen? Het kan zijn, dat ze hem het gat niet in hebben zien gaan en dat ze dus niet weten dat hij daar ook ergens (verstopt?) is. Dan zou het woord "gerynck" in B1597:

     Ende doe hi thoen op boren soude

     Dit heeft die paep gerynck vernomen (B1596-1597),

afkomstig kunnen zijn van "grinen" (= brullen, briesen), of van "greniken" (= meesmuilen, grinniken)445, waarmee Reynaert de wolf dan verraden zou hebben. Voor zekerheid mag dit echter niet worden aangenomen; Reynaert vertelt gewoon niet hoe hij ontsnapt. Daar moeten wij het, met Grimbeert, maar mee doen.

   Of de uitspraak "ic wille mi begheuen" (A1497, F1487, B1537 en D1537) in het relaas van de gebeurtenissen te Elmare niet door Ysegrim (zoals in de hss. A en F) of niet door de monniken van Elmare (zoals in de hss. B en D) gedaan kon worden, maakt voor het begrip niet uit. Voor beide versies is iets te zeggen.

   Als Reynaert in A1671, F1661 en B1685 met zijn lekenbiecht klaar is, krijgt hij van Grimbeert ".xl. slaghe" (A1676 en F1666), terwijl hij in B1690-1694 zichzelf drie(!) slagen moet toedienen, om vervolgens driemaal(!) over dat takje heen te springen. Hs. B is hier geheel in de traditie van de aan de lekenbiecht verbonden boetedoening: "gewoonlijk wordt de leekenbiecht gevolgd door een soort van symbolische communie: met drie grashalmen, symbool en uitdrukking van het geloof in de H. Drievuldigheid, of met drie bladeren, of ook met wat aarde"446.

   In F1724, als Reynaert en Grimbeert hun weg vervolgen, vinden we een aperte fout. Daar zegt Grimbeert tegen Reynaert, die zijn ogen niet van de hoenderen af kan houden: "reynaert gi doet quaet", terwijl uit het vervolg duidelijk wordt, dat Reynaert hier aan het woord moet zijn, die tegen Grimbeert "gi doet quaet" zegt. Een begrijpelijke vergissing van de kopiist van F, als we ons realiseren dat hij de in de andere versies voorgaande twee versregels heeft laten vervallen. Daar is namelijk Grimbeert aan het woord en volgens A1734 en D1754 beginnen die regels, evenals F1724, met: "Ende seide"447.

 

Reynaert wordt, aangekomen bij het hof, tot de galg veroordeeld. In A1957-1958 en F1948-1949 lezen we:

     Bruun sprac neve tybeert nem

     Die lijne du salt mede loepe

om de galg in orde te maken. In B ontbreekt deze passage terecht448. Tybeert hoeft geen lijn te nemen, kan haar ook niet vergeten mee te nemen, want Tybeert heeft die lijn nog altijd om zijn hals hangen volgens zowel A1933-1936, F1924-1927 als B1962-1965. Dit onlogische element van de hss. A en F vindt zijn voortzetting verderop in de tekst, waar in A2023-2025 en F2006-2008 gezegd wordt:

     Tybeert volchde hem naer

     Hem was die voet een lettel zwaer

     Van der lijnen die hi drouch.

Ook hier ontbreekt de passage bij hs. B en wel om dezelfde reden als boven: Tybeert draagt de lijn nog altijd om zijn hals, waarom zou hij hem dan ook in zijn poot houden?!

   We hebben al eerder gezien, dat Reynaert wettelijk niets ten laste gelegd kan worden. Het is bijna opvallend hoe de auctoriale verteller ervoor waakt een waardeoordeel over de daden van de dieren, en over die van Reynaert in het bijzonder, te vellen. Het is derhalve vreemd, dat we in A1968-1969 en F1960-1961 lezen:

     Ende der bruun die hadde gheleert

     Honich stelen te zinen scaden.

Heeft Bruun van Reynaert stelen geleerd, dan zou Reynaert aan de diefstal medeplichtig zijn. En dat moet te allen tijde voorkomen zien te worden. Formeel onlogisch is dan ook de bewering van Reynaert in A1999-2001 en F1990-1992, dat Ysegrim, Bruun en Tybeert ervoor gezorgd zouden hebben, dat Reynaert voor dief uitgemaakt wordt. Opvallend is ook hier de afwezigheid van deze bewering in hs. B. De aanklacht zou hoogstens kunnen zijn, dat Reynaert de andere dieren "erin" heeft laten lopen, waardoor ze lichamelijk letsel hebben opgelopen.

   Ten aanzien van de mishandeling van Bruun, kan Reynaert zich zonder veel problemen vrij pleiten. Die heeft door eigen schuld schade gelden, waarbij Reynaert als "bewijs" opvoert449:

     Waer hi goet hi ware ghewroken (A1824),

     Ware hi vroet hi had gewroken (F1814), of:

     Wair hi goet hi had gewroken (B1846)450.

   Het moet een abuis zijn, dat Reynaert in F1826 tegen Nobel zou zeggen:

     Hoe groet mine misdaet si.

Nee, in A1835-1836, B1857-1858 en D1857-1858 vraagt Reynaert Nobel te gebieden hoe groot, hoe goed (B1858) of hoe "claer" (D1858) zijn "sake(n)" is of zijn. Het zal duidelijk zijn, dat "sake" een stuk neutraler is dan "misdaet". En we mogen ook niet uit het oog verliezen, dat Reynaert zich hier staat vrij te pleiten. In hs. B blijft Reynaert de sympathie van de verteller, en dus van de lezer, behouden, ook al doordat in B1911, bij zijn veroordeling, auctoriaal vermeld wordt:

     Die crancste heeft die mynste crode

(=de zwakste krijgt de minste steun). In A1875-1878 en F1870-1873 staan in het vergelijkbare stukje de klagers juist sterk:

     Die beste redenen ghinghen daer voort

     Die claghen die de dieren ontbonden

     Proufden si met goeden orconden

     Als si sculdich waren te doene.

Nu komt het woord "orconde" in hs. B eveneens voor, maar in een ander verband, hoewel het tekstueel formeel wel op ongeveer dezelfde hoogte staat als in de hss. A en F:

     Nye en quam man die ye hoord

     Scoonre ontscout ende meerre clage

     Dan men en dede in dien dage

     Ja van sulken wilden dieren

     Van nauwen rade ende subtijl visieren

     Wart dair geuonden op dien dach

     Jn orconde diet hoorde ende sach (B1896-1902),

waarbij "orconde" aangeeft dat het om een getuigenverklaring gaat. De tekst gaat in B1906 verder met:

     Jc wil v corten ende seggen twaer

     Hoet myt reynaert dair verginck (B1906-1907).

Omdat deze passage even na het woord "orconde" staat, heeft het er alle schijn van dat de verteller de getuigenverklaring gaat samenvatten. In hss. A1874 en F1869 komt weliswaar een overeenkomstige passage voor,

     Daer omme corte ic hu de woort,

maar hier is de passage juist geplaatst vóór het bovenvermelde fragment, waarin het woord "orconden" (A1877 en F1872) gebezigd wordt. In deze versies is dus duidelijk geen sprake van een getuigenverklaring van een derde. Deze passage werkt derhalve minder objectief en is minder geschreven volgens de middeleeuwse retoricabeginselen dan die in hs. B.

   Als Reynaert in A1940-1943 en F1931-1934 Ysegrim en Bruun aanspoort haast te maken, noemt hij zichzelf in A1943:

     Reynaert huwen neve den fellen roden

en in F1934:

     Reynaerde vwen neue den roden,

waarbij hij zichzelf, door een zijner bijnamen te gebruiken, negatief kenmerkt451. In B1971 zegt Reynaert in dezelfde situatie slechts "v neue". In de hss. A en F stelt Reynaert zich impliciet aan de zijde van de aanklagers door hun spraakgebruik over te nemen en beschuldigt hij zichzelf dus min of meer, terwijl hij zichzelf in hs. B expliciet als de "neue" van Ysegrim en Bruun opwerpt en een relatie tussen hen suggereert (wat natuurlijk niet per se een familierelatie behoeft te zijn). Hij stelt zich in geen geval aan de zijde der aanklagers, noch is er iets van zelfbeschuldiging te merken.

   Auctoriaal wordt Reynaert in A1883 en F1877 "den fellen gast" genoemd als Nobels baronnen hem tot de galg veroordelen. Ook hier ontbreekt die kwalificatie in de hss. B en D. Even daarvoor wordt Tybeert of Ysegrim auctoriaal ook al met een soortgelijke benaming aangeduid: "tybeert die felle" (A1853) dan wel "ysegrim die felle" (F1844), terwijl B1875-1876 en D1875-1876:

     Ende tybert sijn geselle

     Ende ysegrim die snelle

hebben. De kwalificatie "felle" wordt verder uitsluitend voor de vos gereserveerd, reden waarom besloten zou kunnen worden hier de versies A en F af te wijzen wegens inconsistentie.

Als de veroordeling een feit is, vertrekt Grimbeert met zijn familie van het hof (A1887-1888, F1882-1883 en B1918-1923). Nobel ziet dat ongaarne (A1894-1902, F1889-1897 en B1924-1931), maar in A1903-1904 en F1898-1899 spoort hij Bruun en Ysegrim wel aan haast te maken452:

     Doe sprac hi twi sidi traech

     Ysingrijn ende heere bruun,

hetgeen geen logisch vervolg lijkt, al komt het in hs. A1944-1949 (in F en B is Reynaert aan het woord453) nog eens voor ten aanzien van Tybeert:

     Doe so sprac die coninc saen

     Doet tybeerte mede gaen

     Hi mach clemmen hi mach de lijne

     Vp draghen sonder huwe pijne

     Tybeert gaet voren ende maect ghereet

     Dat ghi yet let dats mi leet.

Als Nobel denkt een andere weg in te moeten slaan om Grimbeert en Reynaerts andere familieleden aan zich te binden, zou hij dan tegelijkertijd opdracht geven zich te haasten met het in gereedheid brengen van Reynaerts galg? In B1932 is het Tybeert die de aansporing geeft:

     Tybert sprac hoe si di dus traech

     Her ysegrim ende her brwn (B1932-1933)454.

 

Ze besluiten dan de galg te nemen, waaraan eerder twee broeders van Ysegrim gehangen hebben455. F1917 heeft hier als naam van een van de broeders zeer onlogisch "Reynaerdijn", waar de andere versies spreken van "Rumen" (A1924 en B1953).

   Verderop, in F1951, zegt Bruun tegen Tybeert, dat die de kans krijgt zich op Reynaert te wreken voor

     Dijn oge ende dine scone lier,

maar we weten dat Tybeert bij zijn muizenavontuur alleen een oog verspeeld heeft; het was Bruun zelf die zijn "lier" verloor!

En als Reynaert de koning en de koningin zover gekregen heeft, dat ze hem toestaan zich zonder interrupties te verdedigen456, staat er in A2218-2219:

     Reynaert was van fellen treken

     Hem dochte scone zijn gheual,

wat in elk geval een premature gedachte is, want Reynaert moet nog beginnen aan zijn eigenlijke pleidooi en op dit moment staat hij er helemaal nog niet rooskleurig(er) voor. In hs. F ontbreekt de passage; hs. B heeft:

     Reynaert die vol was loser treken

     Hem dochte beteren sijn geual (B2239-2240),

wat een reëlere gedachte is. Hij krijgt de kans zich te verweren en dat is een stap voorwaarts, waarmee hij zijn kansen wellicht zal kunnen keren.

   Reynaert begint zijn verweer meteen met het verhaal van de voorgenomen coup van Bruun en consorten457. Hij vertelt de plannen voor de coup vernomen te hebben van zijn vrouw die ze op haar beurt vernomen heeft van Grimbeert458 (A2278-2284 en F2246-2252) of diens vrouw (B2303-2311). Hermeline geeft echter haar woord daar verder over te zwijgen. In de hss. A2286-2287 en F2254-2255 lijkt het erop dat zij uit zichzelf belooft er niets van uit te laten lekken:

     Ende gaf grimberte hare trauwe

     Dat verholen bliuen soude;

in B2313-2316 moet ze van Grimbeerts vrouw zweren niets verder te vertellen:

     Mer si most bider drie coningen namen

     Eerst sweren ende bi haerre trouwe

     Dat zijt door lieue noch door rouwe

     Nemmermeer zoud seggen voort.

Zowel in A2291 als in F2259 gebeurt het doorvertellen dan "al stillekine", maar het gebeurt459!!! Reynaert zou Hermeline dan wel te kijk hebben gezet als een onbetrouwbare roddelaarster, wat niet in overeenstemming zou zijn met de toon van het verhaal460. In hs. B2318-2320 staat echter:

     Want teerst dat si bi my quam

     Seide sy my wat sy vernam

     Mer si seit my in stillre teyken,

wat erop zou kunnen duiden dat Hermeline wel doorbriefde wat ze gehoord had, maar met tekens, zonder er iets bij te zeggen(!). Nu kan men aanvoeren dat men met enige moeite "al stillekine" op dezelfde manier kan opvatten. Maar in A2287 en F2255 heeft Hermeline beloofd dat het "verholen bliuen" zou, dat wil zeggen: op geen enkele manier naar buiten gebracht, terwijl in B2316 expliciet van "seggen" wordt gesproken. In hs. B wordt Hermeline dus niet als onbetrouwbaar afgeschilderd (ze houdt haar woord), doch veeleer als net zo sluw en slim als Reynaert zelf461.

   In de parabel van de ooievaar en de kikkers, die volgt en de reden geeft waarom een staatsgreep tegen Nobel op touw gezet wordt462, heeft hs. B eveneens duidelijk de voorkeur. Reynaert vertelt in A2312 dat de ooievaar de kikkers in "allen landen" vangt, doch aangezien het zijn onderdanen zijn, zou er wellicht beter gesproken kunnen worden van het enkelvoudige "land", eventueel met naamval: "in allen lande". In hs. F2280 vangt hij ze "Jn allen tiden"; hij kan ze echter alleen vangen gedurende zijn ambtstermijn als koning, waardoor deze tijdsaanduiding nauwelijks zin heeft. Slechts het "Jn allen steden" van B2340 snijdt hier hout.

   Reynaert vertelt dan hoe hij zijn vader bespioneerd heeft en zodoende de verbergplaats van de schat ontdekt. Zijn vader liet de schat achter, volgens B2410-2417, A2387-2393 en F2351-2357:

     Ende stopte sijn hol weder myt zande

     Ende maecte weder gelijc de lande

     Dat ic dat zach en wist hi niet

     Oec zach ic eer hi van dane sciet

     Dat hi sijn stert dair ouer liet gaen

     Dair sijn voeten hadden gestaen

     ende decte sijn voetstappen mitten monde

     Dit leerd ic dair tot dier stonde,

alleen vervolgt F2358-2359 met:

     Dar leerdic anden vroeden ouden

     Een deel der meisterliker liste

en A2394-2395 met:

     Daer leerdic an den vroeden houden

     Een lettel meesterlike liste,

terwijl Reynaert hier toch slechts één list leert.

 

Als Reynaert in A2334-2336 van Bruun zegt:

     Jc kennen so wel gheboren

     Ende soete ende goedertiere

     Ende ghenadich allen dieren,

is dat overduidelijk een fout van de kopiist. In F2302-2304 en B2361-2363 bezigt Reynaert dezelfde woorden ten aanzien van de koning. Bruun moet in het pleidooi van Reynaert juist slecht overkomen, evenals Tybeert en Ysegrim. De laatste twee hebben in Reynaerts verhaal tot nu toe nog geen erg grote rol. Misschien maakt hij Ysegrim daarom medeplichtig aan het laten uitgaan van de brieven aan de soldaten die tegen koning Nobel ten strijde zouden willen trekken in B2446-2448:

     Brwn ende ysegrim seynden wt

     Hair brieue ende groot saluut

     Aen allen die soudi wouden wynnen,

terwijl A2425-2426 hier heeft:

     Brune die beere sendde huut

     Verholenlike zijn saluut

en F2388-2389:

     Bruun die here hi sende wt

     Verholenlike sijn saluut.

Hier moet de kopiist van hs. F wel een vergissing hebben gemaakt, want in de gegeven situatie zou Reynaert Bruun natuurlijk nooit "here" noemen. Beide kopiisten (zowel die van hs. A als die van hs. F) vergissen zich dan verderop als Reynaerts vader het land afgelopen heeft,

     Ende hi meneghen coenen seriant

     Hadde ghewonnen met sinen goude

     Die hem te hulpen commen soude (A2444-2446 en F2407-2409).

Niet Reynaerts vader behoeft de hulp, maar Bruun. "Die brvnen te hulpe comen soude" is dan ook het vervolg in B2465.

   In A2462 en F2425 worden Ysegrims "maghe" beschreven als met

     Scerpen claeuwen met diepen monden

(F2425 heeft: "widen monden"). Gaan we nu met Hellinga (1952a) na, hoe de naam Ysegrim ontstaan kan zijn (uit: ijzeren grijns), dan komt de beschrijving van B2481:

     Mit scerpen tanden myt widen monden,

daar toch het meest bij in de buurt.

 

Nobel wil natuurlijk graag weten waar zich de schat bevindt, die de rebellen wilden gebruiken om de coup te financieren. Volgens A2497-2498 en B2518-2519 wil Reynaert de bergplaats van de schat niet wijzen aan de koning die hem laat ophangen (chantage!)463. In F2460-2461 wil Reynaert de schat niet wijzen aan "Den gonen die mi anxt doet", hetgeen veel minder logisch lijkt. Als Reynaert bang geweest was voor Nobel, zou hij toch juist eerder geneigd moeten zijn hem ten dienste te zijn en de schat te wijzen.

   Voor wat betreft de topografische bijzonderheden die Reynaert loslaat over de plaats waar hij de schat vervolgens begraven zou hebben, is reeds gewezen op de grotere logica van hs. B ten opzichte van A en F. "Kriekenpit" kan een "borne" (A2578) of een "water" (B2601) zijn, maar etymologisch kan het nooit "een tromp boem" (F2541) zijn. En als het bos van Hulsterloo in het echt "aso" is - dat het een berg zou zijn, zoals gesteld in F2538, lijkt me wel uitgesloten - is de toevoeging dat daar alleen "die hule entie scuvuut" zijn,

     Die daer nestelen in dat cruut (A2589-2590, F2552-2553 en E2552-2553)

tamelijk onzinnig. Als er geen bos te bekennen is, zal er waarschijnlijk ook geen "cruut" zijn. In hs. B ontbreekt die toevoeging dan ook, al is ook daar sprake van "wl ende scwfwt". Ook daar is al eerder aandacht aan besteed.

   Hoe het ook zij, Nobel is niet overtuigd van het bestaan van de Kriekeputte464. Hij zegt tegen Reynaert in B2643-2648:

     Jc heb gehoort noemen aken

     Parijs . kolen ende duwa465

     Mer also als ic my versta

     So spot gi mit my ende v droomt

     Want krieken pit dat gi ons noomt

    Dat is een gevensde naem.

Dit is veel sterker uitgedrukt dan de overeenkomstige passages in A2630-2635, F2593-2598 en E2593-2598 (corrupt):

     Jc hebbe ghehoort nomen aken

     Ende parijs eist daer yet na

     Ende also als ic versta

     So smeekedi reynaert ende roomt

     Krieke putte dat ghi hier noomt

     Wanic es een gheueinsde name.

In hs. B is er geen enkele sprake van aarzeling: Nobel gelooft Reynaert niet466. Bovendien geeft hij Reynaert duidelijk te verstaan hem door te hebben met de woorden:

     So spot gi mit my ende v droomt.

Dit typeert Nobels wijsheid467.

    In A2638-2641 en F2601-2604 luidt Reynaerts repliek op deze aantijging:

     Coninc ghi zijter also na

     Alse van colne tote meye

     Waendi dat ic hu die leye

     Wille wijsen in die flume jordane

(alleen hebben F2602 en F2603 de rijmwoorden "mere" en "lere"),

wat zou inspelen op gebrekkige aardrijkskundige kennis van koning Nobel, maar waarmee Nobel toch eerder openlijk belachelijk gemaakt wordt, doordat de stad Keulen met de maand mei vergeleken wordt. Reynaert zou hiermee m.i. te ver gegaan zijn in de gegeven omstandigheden, waarin hij geheel afhankelijk is van de goedertierenheid van de koning. In B2651-2654 is Reynaerts prompte antwoord:

     Gy zijt dair heer coninc also na

     Als van romen tot valeye

     Waen di dat ic v die leye

     Wisen wil ter flvuie iordaen.

Nobel zegt, dat volgens hem Kriekeputte een fictieve naam is en Reynaert antwoordt, dat Nobel daar net zo dicht bij zit als van Rome tot "valeye". Nu kan met "valeye" Valois bedoeld zijn (waarmee Nobel geenszins voor gek gezet wordt), het kan echter ook simpelweg "vallei" betekenen, synomiem van "dal"468. Aangezien Rome op heuvels gebouwd is, zegt Reynaert hier niets anders dan dat Nobel heel dicht bij de waarheid zit en dat Kriekeputte inderdaad een verzonnen naam is! Het vervolg, "denkt u dat ik u de Leye in de Jordaan wil wijzen", wordt dan opeens in een ander licht geplaatst. Het is onmogelijk de Leye in de Jordaan aan te wijzen, evenals het tonen van de schat onmogelijk is.

   Reynaert roept dan Cuwaert als getuige op en zegt hem in A2652-2655 niet bang te zijn,

     Ende secht minen heere den coninc waer

     Dies maent hi hu bi der trauwen

     Die ghi zijt sculdich miere vrauwen

     Ende die ic den .coninc. sculdich bem,

wat niet erg veel zinvols oplevert, ook al omdat Nobel Cuwaert nergens toe maant. De hss. F2616 en B2664 hebben in plaats van:

     Dies maent hi hu (A2653),

dan ook:

     Des manic v bider trouwen..

In A2656-2657 en F2627-2628 wordt simpel gesteld:

     Doe sprac reynaert so secht hem

     Weetstu waer krieke putte steet;

in hs. B2673-2674 houdt Reynaert een slag om de arm:

     So segt hem weet gi yet wair steet

     Krieken pit ist v yet cont.

Zonder nadenken kan Cuwaert hier als antwoord geven:

     Jc wist wel ouer .xij. iaer waert stont (B2775),

voorwaar geen erg geloofwaardige getuige, die 12 jaar geleden wist waar een plaats was, waarvan hij nu het bestaan moet bevestigen. En dat Cuwaert in hs. F2619-2623 opgevoerd wordt met:

     Doe sprac cuwart vermaledijt

     So moetic werden al wistic wel

     Dat mi costen soude mijn vel

     Oftic liege enich wort

     Al waert van enige mort,

zegt niets, want er is helemaal geen moord gepleegd. Een loze opmerking dus!

   Saillant verschil in het verdere antwoord is Cuwaerts opmerking in B2680. Waar A2663, F2634 en E2634 "hongher ende menich coude" hebben, zegt Cuwaert hier:

     Jc heb dair geleden mennige pijn

     So mennigen honger ende dorst,

waarmee nog eens benadrukt wordt, dat er helemaal geen water(put) is.

   Opvallend is dat Cuwaert in A2675, F2646 en E2646 in de rede gevallen wordt door Reynaert, als hij begint over zijn vriendschap met "reynout de ries" (in hs. A), "symon die sies" (in F), dan wel "Symonet die rike vriess" (in B) en "rijn" (in de hss. A, B en E) of "rime" (in hs. F). In hs. B blijft Cuwaert aan het woord en is het einde van zijn monoloog bovendien anders dan de overeenkomstige woorden van Reynaert, uitgesproken in A en F (hs. E is hier zeer corrupt). In A en F zegt Reynaert:

     Vergaue god waerdi nu hier

     Ghi sout toeghen wee desen dier

     Met huwen sone rijne waers te doene

     Dat ic noint wart so coene

     Dat ic eeneghe saken dede

     Daer ic den coninc mochte mede

     Te mir waert belghen doen met rechte (A2677-2683, F2648-2654, E2648-2654);

hetgeen Bouwman 1991a, p. 295, ertoe doet besluiten hs. B hier oorspronkelijker, want logischer te achten. Zijn hypothetische verklaring voor het voorkomen van de versie A, F en E luidt: “Het is natuurlijk mogelijk dat de auteur van Reinaerts historie een oorspronkelijk sprac Reynaert (uit zijn legger) heeft gewijzigd is sprac hi, bijvoorbeeld omdat hij van oordeel was dat de woorden die volgden, beter door Cuwaert gesproken kunnen worden. Maar waarom dan niet aan alle misverstand een eind gemaakt en gewijzigd in sprac Cuwaert? Het is bovendien opmerkelijk dat de woorden wérkelijk beter klinken uit de mond van de haas. De andere mogelijkheid verdient daarom serieuze overweging: in een vroeg stadium heeft een copiist sprac hi abusievelijk verduidelijkt tot sprac Reynaert. De direct overgeleverde bronnen van de Reinaert (te weten A E F en L) zouden dan teruggaan op deze variant. De oorspronkelijke lezing zou gestaan hebben in een niet overgeleverde redactie die de auteur van Reinaerts historie als legger heeft gebruikt, en zou zo in B en P terecht zijn gekomen” (p. 296).

   In B2695-2700 vervolgt Cuwaert zijn getuigenis:

     Ghi zout hier voor desen dieren fier

     Onser beider leuen ende spel

     Jn sconen rymen vertrecken wel

     Dat ic nye in geenre steden

     Tegen mijn heer geen zaeck en dede

     Anders dan ic doen mocht myt recht,

en dan grijpt Reynaert in! Want het is duidelijk dat Cuwaert bij Kriekeputte - maar twaalf jaar geleden, toen de situatie daar wellicht nog heel anders was - geweest is (wellicht ook samen met valsemunters), maar nu Cuwaert in B2700 wil gaan vertellen dat hij iets met recht tegen de koning ondernomen heeft, móet Reynaert ingrijpen. Er moet voorkomen worden dat Cuwaert iets buitengewoon onprettigs zou kunnen gaan opbiechten469. Hier kapt Reynaert hem dan ook in B2701-2702, A2684-2685 en F2655-2656 abrupt (abrupter dan in de andere versies) af met:

     Gaet weder onder geen knecht

     Sprac reynaert kuwaert dat seg ic v.

Op die manier kan Nobel Cuwaert ook niet verder ondervragen. Reynaert overbluft Nobel, die nu maar wat graag naar Kriekeputte wil en Reynaert voorstelt, hem naar die plaats te begeleiden. Heel subtiel is hier het verschil tussen A2698-2703, F2669-2674 en E2669-2674 enerzijds en B2715-2720 anderzijds. De hss. A, F en E hebben daar:

     Reynaert sprac ghi secht wonder

     Waendi in waers arde vro

     Coninc oft mi stonde also

     Dat ic met hu wandelen mochte

     Also als ons beeden dochte

     Ende ghi heere waert al sonder zonde,

en hs. B heeft:

     Reynaert sprac heer gi zegt wonder

     Waendi ic en seg v waerlic vro

     Of dat myt my stont also

     Dat ic myt v wanderen mochte

     Also als ons beide dochte

     Ende gijs bleeft al sonder sonde.

Hoewel het verschil tussen "waert" en "bleeft" minimaal lijkt, is het hier wel degelijk distinctief. Overigens constateren we in F2671-2672 een fout, waar staat:

     .Coninc. oftu stonde so

     Dat ic mit v wandren mochte.

Opmerkelijk is hierbij, dat E2671 die fout niet vertoont. Hs. E komt verder vrijwel geheel overeen met hs. F, maar verschilt dus hier. Daaruit zou dan wellicht opgemaakt kunnen worden, dat hs. F afgeleid zou zijn van hs. E.

   Natuurlijk kan Reynaert er niet aan beginnen Nobel naar een niet-bestaande schat op een niet-te-vinden plaats te voeren. Het voorstel noopt hem te vertellen dat hij in de ban is470 en dienovereenkomstige stappen moet ondernemen, te weten naar Rome gaan en vandaar "ouer zee" (A2792, F2760 en B2794)471. Als Nobel dit later aan Bellijn voorlegt, zegt hij in B2952-2953:

     Nv wil reynaert ouer die zee varen

     Dair mede mach hi hem wel verclaren.

Volgens Peeters 1975, p. 152, zou deze formulering de voorkeur verdienen boven de formuleringen van A en F, omdat met de woorgroep "dair mede" de relatie van het "ouer die zee varen" en het delgen van de zondeschuld geëxpliciteerd wordt (naar Geoffrey Ridel en Gilbert Foliot). Door deze list dwingt Reynaert als het ware zichzelf Cuwaert te vermoorden472.

Vreemd is de formulering: "manliken scat" in F2380. A2417 en B2438 hebben hier "groeten scat".  Een heel duidelijke kopiistenvergissing van (alweer!) F2463 is:

     Neen sprac reynaert die coninginne,

waarin twee woorden omgedraaid zijn.

     Neen reynaert sprac die coninghinne,

is de lezing bij A2500 en B2523. Volgens A2346 en B2373 is Bruun, die de troon wilde bestijgen, een "vraet", volgens F2314 een "quaet". Ook hier zijn de hss. A en B sterker, omdat men reeds weet dat Bruun een "vraet" is; hij heeft immers honing willen stelen en in ruil daarvoor was hij genegen aan het hof Reynaerts zijde te kiezen. Bovendien wordt de kwalificatie "vraet" vaker gebruikt. Hiermee versterkt Reynaert het negatieve beeld dat de anderen al van Bruun hebben.

Als we in B2146 lezen van Ysegrims "wijff ende haers neuen kijnder", dan zijn we aanvankelijk geneigd hierin een fout van de kopiist van hs. B te zien. Reynaert geeft hier een voorbeeld hoe Ysegrim hem altijd aan het kortste eind liet trekken op hun gezamenlijke strooptochten:

     Mer als wi hadden al sulc geual

     Dat wi een oss off een koe

     Geuangen hadden so quam dair toe

     Sijn wijff ende haers neuen kijnder

     So en mocht my nau warden ghijnder

     Een vanden mynsten rebben (B2143-2148);

denken we echter aan Reynaerts verhouding met Hersinde en aan Ysegrims klacht in A73-75, F73-75 en B83-85:

     Dat hi mijn wijf heuet verhoert

     Ende mine kindre so mesvoert

     Dat hise beseekede daer si laghen,

dan zou dat hier door Reynaert best eens expres zo geformuleerd kunnen zijn (A2124 heeft "sinen .vij. kindren"; F2106 heeft "sinen iongen kinden"). Als Reynaert, zoals Grimbeert in A240, F228 en B244 beweert, al meer dan zeven jaar een verhouding met Hersinde onderhoudt, kunnen daar, zoals eerder betoogd, best jongen van gekomen zijn.473

Wanneer Reynaert de koning en de koningin op zijn hand krijgt, vliegt - of loopt (hs. B) - de raaf naar Bruun, Ysegrim en Tybeert om het hele verhaal over te brieven. In A2796 heet die raaf "cirlin", in F2764 "necelijn" en in B2798 "tyeselijn". In A2807 vinden we eveneens de naam "tieceline", zodat dit de meest authentieke naam lijkt en B daarmee de meest authentieke tekst voor wat dit geval betreft474.

 

In F2843 moeten we alweer een fout constateren, als er staat:

     Al sout hem gaen an sijn lijf,

waar gerefereerd wordt aan Ysegrim en Hersinde (meervoud dus) en wat zou moeten zijn:

     Al sout hem gaen an haer lijf (A2877 en B2871).

   Het is echter niet zo, dat alleen in hs. F passages foutief voorkomen. A2857-2859 bijvoorbeeld bergt een foutje in zich,

     Het es peelgrins recht

     Dat hi ghedicket in sine ghebeden

     Al tgoet datmen hem noyt dede,

waar F2827 en B2855 respectievelijk:

     Alles goedes datmen hem oyt dede

en:

     Alles goets dat men hem dede

hebben.

 

Als Reynaert aan zijn pelgrimstocht begint, voegt hij Nobel in alledrie de versies een geveinsde wens toe.

     Blijft ghesont ende laet mi gaen,

heet het in A3040 en B3040. Hier zijn het F3006:

     Blijft godeuolen laet mi gaen

en E3006:

     Blift gode beuolen ic moet gaen,

die wat meer in de sfeer van de pelgrimage blijven. We mogen hierin echter geenszins een indicatie van authenticiteit zien. Het lijkt mij in dit geval zeker verdedigbaar, dat de kopiisten van hss. F en E de tekst "verbeterd" hebben. Bewijsbaar lijkt me ook dit echter niet.

Wanneer Reynaert Bellijn en Cuwaert daarna "onbegrepen" noemt in F3026 en E3026, heeft de versie van B3060 en A3060 met "onberoepen" (=onbesproken475) weer de voorkeur. Voor de aanduiding “Geestelic” (B3062, F3028 en E3028) ten aanzien van Belijn en Cuwaert geldt eenzelfde voorkeur boven het “Ghestade” van A3062476.

   Ook het nuanceverschil zoals dat bestaat tussen B3056:

     Ende bellijn mijn vrient den ram

en A3056, F3022 en E3022:

     Ende mijn vrient belin de ram,

werkt m.i. in het voordeel van hs. B. Hier wordt niet zozeer de nadruk gelegd op de vriendschap die zou bestaan tussen Reynaert en Bellijn als individuen, hoogstens als diersoorten.

   Iets dergelijks hebben we in A3075. Hier noemt Reynaert hem: "belin neve ram". Nu lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat de ram familie van de vos zou zijn. F3041, B3075 en E3041 hebben dan ook: "neue bellijn de ram", waarbij "neue" een algemene aanduiding is477, en "de ram" slechts als toevoeging gezien dient te worden. Later, in A3272-3276 en F3240-3244 staat auctoriaal:

     REynaert ghinc in die aghedochte

     Ende keerde weder ende brochte

     Sinen vrient beline ieghen

     Dat hoeft van cuaerde ghedreghen

     Jn die scerpe ghesteken.

G3242 (zeer corrupt) heeft in deze passage slechts:

     Sinen vrient belyne iege.

In alledrie de aangehaalde versies is het merkwaardig, dat Bellijn hier de vriend van Reynaert genoemd wordt. Te meer, daar het auctoriaal verteld wordt. B3295-3300 heeft in B3298 slechts "Bellijn":

     Doe keerde reynaert als die boude

     Weder in sijn hagedochte

     Ende nam die scerpe die hi brochte

     Bellijn dair had hi in gesteken

     Kuwarts hooft bi valschen treken

     Dien hi had gebeten doot,

zonder welke toevoeging dan ook.

   Hs. F neemt weer een aparte, minder geslaagde plaats in bij F3021, waar Reynaert tegen Cuwaert zegt:

     Of gi wilt gi sult mi leiden.

A3055, B3055 en ook E3021 hebben hier:

     Of god wilt ghi sult mi gheleeden,

waarmee Cuwaert een vrije keuze ontnomen wordt.

 

Voordien worden Ysegrim en Bruun (en Hersinde) verminkt om Reynaerts pelgrimskostuum te vervolmaken:

     NV wart reynaert peelgrijn

     Ende zijn oem ysingrijn

     Ende brune die ligghen ghebonden

     Ende ziec van zeeren wonden

lezen we in A3012-3015 en F2978-2981. In B3012-3014 wordt dat heel wat realistischer voorgesteld:

     Jsegrim ende brwn die beer

     Sy waren gewont also zeer

     Dat sy wenschten om den doot.

 

Vreemd is het, dat in hs. B Bellijns altaar voor de laatste plechtigheid voor Reynaerts reis niet eerst in gereedheid gebracht hoeft te worden, zoals in A2973 en F2938. Bovendien wordt Bellijn alleen in B2934 met "paep" aangeduid, in tegenstelling tot A2942 en F2908, waar Bellijn "capelaen" genoemd wordt, terwijl ook in B2974 sprake is van "cappellaen", evenals in de corresponderende regels A2976 en F2942. Aanvankelijk is men geneigd de fout bij B te leggen, maar naspeuring in het Middelnederlandsch handwoordenboek leert, dat "pape" gebruikt kan worden in de gewone betekenis van "geestelijke" en dat "capelaen" de benaming is voor een geestelijke, die aan een kapel verbonden is. Bellijn heeft in B2974 (waar hij "cappellaen" genoemd wordt) net voor zijn altaar gestaan en uit zijn boek gezongen en gelezen. In B2934, waar hij "paep" genoemd wordt, roept de koning hem als geestelijke bij zich. Hier zou dus zeer wel de functie van het moment aangegeven kunnen zijn.

 

Hermeline, Reynaerts vrouw, weet nog niets van wat er aan het hof voorgevallen is. Wel verwondert ze zich over Reynaerts uitmonstering bij diens thuiskomst:

     Mer als sy heeft die serpe vernomen

     En die palster ende die scoen

     Dochter haer een vreemt doen (B3095-3097),

terwijl haar in hs. A3098, F3064 en E3064 alleen maar "palster ende scerpe" blijken op te vallen.

   Als Reynaert bij haar teruggekeerd is, luidt haar vraag in B3099 dan ook:

     Hoe is v vergaen die vaert?

In A3101, F3067 en E3067 luidt het:

     Reynaert hoe sidi ontgaen,

wat impliceert dat Hermeline van Reynaerts gevangenschap (en veroordeling) zou weten. Zij kan dit echter onmogelijk vernomen hebben. Hermeline hoort pas van de hachelijke situatie waarin Reynaert verkeerd heeft, als die haar dat zelf vertelt in B3175-3178:

     Het was nau dat hi my niet en hynck

     Jc en leet nye meerre noot

     Noch en creech ic anxt so groot

     Als ic dair voor mijn ogen zach.

In de hss. A, F en E zegt hij inhoudelijk helemaal niets van zijn belevenissen aan het hof.

   Wel vertelt hij in A3104, F3070 en E3070b, dat Bruun en Ysegrim

     Sijn worden ghisele ouer mi.

Bouwman 1991a, p. 336, onderneemt een poging dit woord “ghisele” te verklaren: “In zekere zin wórden Ysengrijn en Bruun in gijzeling gehouden, echter niet door Nobel, door Reinaert. Doordat zij als staatsgevaarlijke misdadigers gevangen zitten, is Reinaert in staat om te ontsnappen. Op die manier staan ze borg voor Reinaerts vrijheid.” In B3103-3104 staat echter:

     Ende brwn ende ysegrym

     Sijn borg geworden voor my,

waarmee (naar Bouwmans omstandige verklaringspoging blijkt) veel duidelijker en directer wordt aangegeven hoe de vork in de steel zit.

Cuwaert heeft het dan al moeten ontgelden. Hij laat zich echter niet zomaar verschalken. Als hem duidelijk wordt wat zijn bestemming is, roept hij in A3121-2123, F3087-3089 en E3087-3089 Bellijn:

     Ende cuaert riep ghenadelike

     Helpt mi belin waer sidi

     Dese peelgrijn verbijt mi,

met in F3089 en E3089 de variant:

     Dese pelgrim dodet mi.

In B3122-3123 staat:

     Doe riep hi herde vreeselike

     Help bellijn wair si di

     Dese pelgrim moort my.

Als we later vernemen wat Bellijn daarvan verstaan heeft478, is dat als volgt verwoord:

     So riep hi lude helpt my (B3248).

In A3226 en F3194 wordt dit omschreven als:

     So riep hi arde hulpe vp mi.

Nu weten we dus al, dat Cuwaert inderdaad "help" riep, wat door Reynaert in alledrie de versies verbasterd wordt tot: "heelt vry" (B3258, A3236 en F3204). M.i. werkt dit alleen, als Reynaert weet, wat Bellijn werkelijk gehoord heeft, zoals in hs. B het geval is. Eventueel kan hiermee ook het gebruik van de woordgroep "herde vreeselike" in B3121 verklaard worden. Bellijn, die buiten stond, moet het immers goed hebben kunnen horen479.

Het verhaal dat Reynaert tegenover Hermeline ophangt, namelijk dat Cuwaert door Nobel gegeven zou zijn, omdat de haas de eerste was, die Reynaert jegens hem verraden had480 (A3108-3110, F3074-3076 en B3108-3110), is duidelijk niet steekhoudend481. Ten eerste is het onjuist dat Cuwaert de eerste klacht ingediend zou hebben, dat was namelijk in A62, F62 en B72 Ysegrim en ook later, toen er in Reynaerts aanwezigheid geklaagd werd, was het niet Cuwaert, maar Bruun die als eerste met een klacht naar voor kwam (A1852, F1842, B1874 en D1874). Uiteraard kan Hermeline hier niets van weten! Reynaert vertelt het haar slechts om Cuwaert "met goed fatsoen" te kunnen verorberen482. Het uitleggen van de werkelijke situatie zou hier wellicht te veel tijd gevergd hebben naar Reynaerts zin. Als Cuwaert echter door de vossenfamilie opgepeuzeld is, vertelt Reynaert de ware toedracht.

   Overigens moet worden geconstateerd, dat Hermeline in het gesprek tijdens de maaltijd in A3135-3146, F3101-3112 en E3101-3112 wel als erg dom afgeschilderd wordt. In B3135-3147 is dat minder het geval en heeft Hermeline in B3139 Reynaerts ironie meteen door.

   Reynaert zegt daar over de koning:

     Hy sels genoech voor ons betalen

     Hy en geert niet bet dan wijt halen (B3138-3139),

gevolgd door B3140 (met foutief "HJ", want hier neemt Hermeline overduidelijk het woord):

     HJ sprac reynaert gi spot ic waen.

In de hss. A, F en E moet Reynaert het nog veel bonter maken om tenslotte Hermeline's ongeloof op te wekken. Reynaert zegt daar:

     Hi soude ons gherne ghiften gheuen (A3141, F3107 en E3107),

waarop in A3144-3146, F3110-3112 en E3110-3112 volgt:

     Wat ghiften es dat sprac hermeline

     Reynaert sprac hets eene lijne

     Ende eene vorst ende twee micken.

In B3143-3144 antwoordt Reynaert onomwonden:

     Vrou ic heb gehuuft den coninc myt vlijt

     Ende sijn wijff die coninghinne

op Hermeline's vraag haar de waarheid te zeggen.

   En in A3174 en F3142 besluit Reynaert zijn gesprek met Hermeline, die zich zorgen maakt over de reis die Reynaert gezworen heeft te zullen ondernemen:

     So meer ghezworen so meer verloren,

waarmee Reynaert als het ware het hoofd in de schoot legt, en dat hoort hier ook, want hij gaat vluchten. In B3206, waar hij niet vlucht, heet het:

     So meer gesworen so meer gelogen483.

Ook in de hss. A en F wordt bedoeld, dat Reynaert zich niet aan zijn eed zal houden. Reden om het meest naar de versie van hs. B te neigen.

   Alleen in hs. B3166-3174 betrekt hij bij zijn voorstel te gaan vluchten de leugen van de te Kriekeputte verborgen schat (voor de lezer/toehoorder voldoende om de link met de moord te leggen):

     Want de coninc liet my op dat

     Gaen . dat ic hem enen scat

     Wijsde al gynder op kryeken pit

     Mer hi en vijnter dat noch dit

     Al zocht dair oec vmmenmeer

     Dit selhem toornen alte zeer

     Als hi hem dus vijnt bedrogen;

de hss. A3181-3187 en F3149-3155 hebben slechts:

     Jc hebbe den .coninc. eenen scat

     Belouet die mi es onghereet

     Ende als hi des de waerheit weet

     Ende hi bi mi es bedroghen

     Dat ic hem al hebbe gheloghen

     So sal hi mi haten vele meere

     Dan hi noint dede eere,

maar hier ontbreekt de plaatsaanduiding, die nu juist in verband met Cuwaert zo belangrijk is.

   In B3301 lezen we dat Reynaert de kop van de haas dan aan Bellijn geeft

     Om bellijn te brengen in meerre noot.

De achterliggende reden hiervoor zou gevonden kunnen worden in de rol die Bellijn speelt bij het indienen van de aanklachten tegen Reynaert in A1847-1851, F1836-1841, B1868-1873 en D1868-1873, waar Reynaert zich in allerlei bochten moet wringen om vrijspraak te verkrijgen, maar Bellijn zijn vleierij te niet doet door de dieren op te roepen verder te gaan met klagen. Voorts heeft Bellijn natuurlijk geen goede beurt gemaakt met te weigeren Reynaert de mis voor te lezen bij diens vertrek (A2947-2950, F2913-2916 en B2939-2942)484. Net als het "vercloeken" en hret voornemen de "sack [te] ontbijnden", komt de mededeling dat Reynaert de ram in meer nood wil brengen uitsluitend in hs. B voor.

   Als Reynaert Cuwaerts kop in de scerpe aan Bellijn meegeeft, zegt hij hem dat de tas brieven bevat. In de hss. B3304-3306, A3280-3282 en F3248-3250 beveelt hij hem:

     Dat hi niet die brieue en zoude

     Niet besien off hijt gern woude

     Tot des conincs vrientscap soude naken,

waarbij het venijn in de dubbele ontkenning zit485. Voorts moet Bellijn aan het hof vertellen zelf de "brieue" geschreven, alsmede er de raad toe gegeven te hebben. Bellijn is met dit voorstel van Reynaert danig tevreden. Hij bedankt hem er zelfs voor. Reynaerts reactie:

     Ghi sult den coninc minen heere

     Harde willecomme zijn (A3269-3270, F3237-3238 en B3291-3292)

als Bellijn de "brieue" aan het hof zal overhandigen, is dan in hs. B weer zinvoller dan in de andere versies. Alleen in B3221 heeft Reynaert immers verkondigd zijn "sack [te zullen] ontbijnden". Het welkom zijn van Bellijn aan het hof werkt nu meerzinnig en de lezer/toehoorder krijgt een vermoeden wat er verder gebeuren zal.

   Reynaert geeft Cuwaerts kop daarna in de pelgrimstas aan Bellijn mee om aan het hof af te leveren. En bij het afleveren van de "brief", zou hij Nobel moeten vertellen, dat hij deze zelf geschreven heeft en raad daartoe gegeven heeft, omdat hij de koning zo liefheeft. Dat is tenminste het argument in A3285-3290 en F3253-3258:

     Ende of hi wesen wilde rike

     Ende sinen heere den .coninc. hadde lief

     Dat hi seide dat desen brief

     Bi hem alleene ware gescreuen

     Ende hiere raet toe hadde ghegheuen

     Die coninc souts hem weten danc.

In B3307-3312 is het argument omgekeerd en daardoor sterker: Bellijn moet dit niet zeggen omdat hij de koning liefheeft, doch om zich geliefd te maken bij de koning:

     Ende wildi dat bouen alle saken

     Die coninc v sel hebben lieff

     So segget dat gi self den brieff

     Gedicht hebt ende oec gescreuen

     Ende den raet dair toe gegeuen

     Ghi selt des hebben groten danck.

Verder heeft de opmerking in A3288, dat Bellijn de brief "alleene" had "gescreven" niet veel zin (in F3256 ontbreekt het woord "alleene" overigens ook), want het is bekend dat de ram vegetarisch leeft486.

   Bellijn trapt met open ogen in de val die Reynaert voor hem opstelt en bedankt hem ook nog voor de raad:

     Bellijn sprac doe reynaert here

     Nv wetic dat gi doet ere

     Jc sal uallen in groten lof

     Bi v alsemen in dat hof

     Sal seggen dat ic wel can dichten

     Mit sconen worden ende mit slichten

     Alsi dat ics niet en can (F3264-3270 en B3316-3322).

In hs. A3296-3302 is hetzelfde te lezen, met alleen dit verschil, dat het hier door Reynaert gezegd wordt:

     DOe sprac reynaert belin heere

     Nu weetic wel dat ghi doet eere

     Hu seluen ende die zijn int hof

     Men saels hu spreken groeten lof

     Alsmen weet dat ghi coont dichten

     Met sconen woerden ende met lichten

     Alsi dat ics niet ne can.

In hs. A zegt Reynaert dus van zichzelf dat hij niet zo mooi kan dichten als nu gebeurd is. Maar tegenover Bellijn hoeft hij die schijn toch niet op te houden?! Ze staan hier immers beide (schijnbaar) aan dezelfde kant! In hss. F en B is aan het publiek duidelijk gemaakt dat Bellijn niet kan schrijven, waardoor de geestelijkheid even een gevoelige knauw krijgt aangezien Bellijn kapelaan is en er geen enkele moeite mee heeft net te doen of hij wel kan schrijven487. In hs. B wordt Bellijn zelfs nog doortrapter door meteen hierna te verkondigen:

     Men seit dic dat mennich man

     Eer is gesciet want hem god goste

     Van saken die hi selue niet en woste (B3323-3325).

Weliswaar komt dezelfde passage ook in F3271-3273 voor, met in F3273:

     Jn saken die hi luttel conste,

maar doordat hierna in F3274-3276 staat:

     Hier na sprac bellijn her reynaert

     Laet v lief . wil cuart

     Mit mi te houe weder gaen,

is niet voor 100% duidelijk of hier Bellijn of de auctoriale verteller aan het woord is. In deze onduidelijkheid staat hs. F weer alleen, want in de overeenkomstige passage in A3302-3305 is duidelijk hetzelfde personage aan het woord als daarvoor (Reynaert in dit geval) en functioneert A3306:

     Hier na sprac belin reynaert

als een overgangsfrase naar een andere spreker.

   De uitspraak van Bellijn in B3328: "Sel kuwaert mede te houe gaen", op een moment dat Cuwaert al dood en opgegeten is, wordt gebruikt om de zaken duidelijk te stellen.

   Als Bellijn dan aan het hof verschijnt, buigt Botsaert (A3375)488, Bockart (F3343) oftewel Kockaert (B3376) zich over de inhoud van de tas en hij roept in A3376-3380 en F3344-3348 uit:

     Helpe wat lettren zijn dit

     Heere coninc bi miere wit

     Dit es dat hoeft van cuaerde

     O wach dat ghi noint reynaerde

     Coninc ghetrauwet so verre.

Hier spreekt Botsaert/Bockart tegen de koning. Hij zegt hem dat deze Reynaert nooit had mogen vertrouwen (of geloven, volgens de versie van F). In hs. B3380-3384 lijkt het erop dat dit laatste door iemand anders gezegd wordt:

     Helpe wat brieue sijn dit

     Heer coninc by mijnre wit

     Dit is dat hooft van kuwaert

    Och erme dat ic ye reynaert

     Gelouen soude also verre,

en het meest logisch zou dan zijn, dat Bellijn dat uitroept. Die heeft Reynaert geloofd in verband met de inhoud van de tas!

   Volgens A3400-3410 en F3369-3378 geeft Nobel Reynaert meteen de schuld van de misleiding:

     Mi heuet een quaet wicht so verre

     Bedroghen dat ics bem erre

     Ende int strec gheleet bi barate

     Dat ic recht mi seluen hate

     Ende ic mine eere hebbe verloren

     Die mine vriende waren te voren

     Die stoute heere brune ende heere ysingrijn

     Die rouet mi een valsch peelgrijn

     Dat gaet miere herten na so zeere

     Dat het gaen sal an mine eere

     Ende an mijn leuen het es recht,

waarbij met "een valsch peelgrijn" duidelijk Reynaert bedoeld is. In hs. B3407-3416 staat het iets anders:

     Hy heeft myt sinen losen beraet

     Een quaet scalc so veer gebrocht

     Dat hy mijn vriende heeft verwrocht

     Den stoutste brwn ende ysegrijm

     Dat rouwet my in therte mijn

     Het sel my aen mijn eer gaen

     Dat ic so vele hebben mysdaen

     Tegen mijn beste baroene

     Ende ic den quaden hoeren sone

     Also ver soude betrouwen.

Hier beschuldigt Nobel iemand ervan iemand anders tegen Bruun en Ysegrim opgezet te hebben. Geeft hij hier Bellijn er de schuld van Reynaert raad gegeven te hebben, waarvoor Bruun en Ysegrim nu moeten boeten? Het kan bijna niet anders, al spreekt Nobel hierna verder over zijn gemalin die hem overreed zou hebben (wat alleen op Reynaerts biecht terug kan slaan).

   Maar ook al neemt hij de schuld volledig op zich, het zal iedereen aan het hof die Bellijn met Cuwaerts kop ziet aankomen duidelijk zijn, dat Bellijn daar nooit als enige schuldig aan kan zijn. Later, in B5273-5276 (in de voortzetting van het verhaal), zegt Nobel dan ook tegen Reynaert:

     Want hi seide zelf die vuyl katijff

     Dat hi den raet dair toe had gegeuen

     Dat die brieue waren gescreuen

     Die men in die scerpe vant al dair,

waaruit zou kunnen blijken, dat Bellijn alleen veroordeeld wordt, omdat hij de "raad" gegeven zou hebben Cuwaert te vermoorden. Híj verzoekt Cuwaert namelijk het vossenhol met Reynaert binnen te gaan (A3083, F3049 en B3083), wat voor de haas gelijkstaat met zijn doodsvonnis.

   In de hss. A en F blijft het overigens ongemotiveerd, dat Reynaert Cuwaerts kop naar de koning laat brengen. Daar is weinig noodzaak toe als hij toch "in die woestine" wil vluchten, wat in deze versies ook daadwerkelijk gebeurt, of het moet een wraakactie op Bellijn zijn489. Heeroma (1970) spreekt zelfs van een fout van de auteur (p. 134), en hij voelt zich daarbij gesteund door wat Grimbeert daarover opmerkt in B4124-4127. Toch ziet Heeroma wel in, dat Reynaert de koning hiermee opzettelijk beledigt en uitdaagt490 en ook legt hij (op p. 142-143) het verband tussen Cuwaert en het schatmotief, dat na Reynaerts beschrijving van de drie juwelen in B en diens suggestie dat Bellijn die verduisterd zou hebben, rond zou zijn. Men moet zich echter afvragen of alles binnen dit motief dan wel op zijn plaats valt. Het blijft m.i. ook voor de dieren aan het hof onaannemelijk dat Bellijn na Cuwaert gedood en de schat verdonkeremaand te hebben diens kop in plaats van de juwelen in zijn tas gestopt heeft. Ook als een ander de juwelen voor de hazenkop verruild zou hebben, blijft het ongeloofwaardig dat Bellijn daar niets van gemerkt zou hebben. Bovendien blijkt uit wat Bellijn aan het hof zegt overduidelijk dat hij er vanuit gaat dat zijn "scerpe" brieven bevat en geen juwelen! Reynaerts relaas hierover is dus niet helemaal sluitend. Arendt (1965), die zich hoofdzakelijk op hs. A baseert, kan - in navolging van Jonckbloet 1856, p. CV - zelfs geen enkele goede reden voor Cuwaerts dood vinden491: "Cuaert verliert seinen Fabelnamen und damit die Singularität, die den Tieren in der Tierdichtung eigen ist; er erscheint - da niemand bereit ist, mit "rauwe" seiner früheren "anthropomorphen" Existenz zu gedenken - einzig als anonymes jagdbares Beutetier, als irgendein "guter fetter Hase" (A3128, F3094, E3094 en B3128) unter vielen492. Der fromme Cuwaert, der so gern Kaplan werden wollte, ist zum Schluß nur ein "aas" (A3129: 'base', F3095, E3095 en B3129)"493, terwijl de reden voor de moord op Cuwaert zo voor de hand lijkt te liggen494: hij is de enige die Nobel naar Kriekeputte zou kunnen brengen bij Reynaerts (en Hermeline's) afwezigheid! Maar waarom moet dat dan voorkomen worden? Ook Lulofs (1983, p. 286) lijkt het terugsturen van de hazenkop een provocerende en onnodige daad van Reynaert. "Hij bereikt er vooral mee dat de koning razend wordt en dat zijn hele familie vervolgd wordt en voortaan in gevaar leeft. Hij kan het achterwege laten; hij trekt dan met zijn gezin naar een veilige streek en hoeft de koning daar niet te vrezen. Daar kan hij het toch bij laten? De koning zal vergeefs bij Kriekeputte naar een schat zoeken - als hij daar al kan komen zonder Cuwaert als gids -, hij zit met een paar gevangen pairs, beschuldigd door een pelgrim die voorlopig niet meer aan het hof zal verschijnen, en ondertussen leeft Reynaert met zijn gezin in een lusthof. Reynaert kan er echter niet op die manier vandoor gaan. Zoals hierboven al werd opgemerkt (3102 e.v.) moet hij nog de leugen openbaren die hij over zijn vader en Grimbeert heeft meegedeeld en als hij dat doet, wordt ook zijn hele bedrog duidelijk, zodat tot zijn spijt ook Bruun en Ysengrijn gezuiverd worden van de smet van felonie. Reynaert had dit wel per brief kunnen meedelen, maar de hazenkop spreekt een duidelijker en onbeschaamder taal. Zijn vrouw en kinderen hebben de haas opgegeten en zijn daardoor geforceerd met Reynaert mee te gaan naar veiliger oorden en de kop deelt de koning mee wat er in feite gebeurd is en bovendien is Belijn dan nog de zondebok. Zo wordt de haas minstens driemaal functioneel gebruikt: hij dient als voedsel voor vrouw en kinderen die nu geforceerd worden met Reynaert naar veiliger oorden te trekken, hij maakt Belijn tot schuldige en hij onthult Reynaerts leugen, dus Grimbeerts (en Bruuns en Ysengrijns) onschuld. En wordt de koning niet extra vernederd als het de dode hazenkop is die hem de ware toedracht meedeelt?" De hazenkop maakt hem in elk geval nog eens extra duidelijk dat Nobel naar zijn schat kan fluiten, maar waarom moet Reynaert nu zijn leugens en bedrog openbaar maken? De dieren aan het hof zouden door Bellijn te zijner tijd heus wel op de hoogte worden gebracht, wat dan eenzelfde reactie zou hebben teweeg gebracht als nu het geval is. Het blijft, met alle respect, een raadsel. Behalve als we hs. B erbij betrekken!!! In hs. B wordt Reynaert door Hermeline overgehaald op Mapertuus te blijven495. Dit gebeurt echter nadat Cuwaert, met het oog op verhindering van het eventuele natrekken van de plaats van de schat496, vermoord is.

   In B3217-3221 is - zoals eerder gesteld - al voorbereid, dat Reynaert Nobel van het een en ander op de hoogte wil brengen:

     Nochtan waen ic hem wel te vercloeken

     Hi en selt hier so quaet niet zoeken

     Hy en selt dair noch quader vijnden

     Wil ic mynen sack ontbijnden.

En waarom? Wellicht juist omdat hij door Hermeline overgehaald is niet te vluchten, maar op Mapertuus te blijven wonen. Reynaert kan Cuwaert, al vermoord om te voorkomen dat hij Nobel naar Kriekeputte zou brengen, nu niet simpelweg laten vermissen. Bellijn zal immers getuigen hem het vossenhol te hebben zien betreden en niet te hebben zien terugkeren. Men zal Reynaert weten te vinden op Mapertuus, als hij niet deze list met de "brieue" verzint. Misschien ook is Reynaert daarmee al bezig met de voorbereiding van zijn volgende plan zoals in het vervolg van hs. B te lezen is: Nobel te laten geloven dat Bellijn met (een gedeelte van) de schat naar het hof gestuurd is (B5262-5264)497, zodat een tocht naar Kriekeputte helemaal onnodig zou worden498.

   Omdat aan het hof duidelijk is geworden, dat Reynaert Cuwaert vermoord heeft - ook al heeft Bellijn (ongewild) de schuld op zich genomen499 - en men nu ook inziet dat Reynaert alle dieren, inclusief Nobel, voor de gek gehouden heeft, zijn de dieren boos op Reynaert en willen ze hem op Mapertuus gaan opzoeken om hem te hangen. In A3423-2424 staat dat er als:

     Ende sullen sine kele hanghen

     Sonder vonnesse hets recht.

Als ze Reynaert ophangen, volgen de dieren weliswaar hun gezonde verstand, maar recht is het niet500. Reynaert kan voor geen van zijn daden veroordeeld worden; behalve misschien voor wat betreft het oppeuzelen van de een of andere vogel (maar daarover is, met uitzondering van Coppe waarop men hem ook niet echt heeft kunnen pakken, geen aanklacht binnen gekomen) en het om de tuin leiden van Nobel. In B3433-3434 staat dan ook:

     Ende by sijnre kelen hangen

     Sonder vonnisse ende sonder recht.

 

Ook logischer is B3458 ten opzichte van A3452. Firapeel brengt hier aan de gevangen Bruun en Ysegrim namens de koning, die de macht had met zijn onderdanen te handelen als hem goed dunkte, de volgende boodschap over:

     Hi wille hu gheuen belin den ram501

     Ende alle sheere belins maghe (A3441-3442 en B3447-3448);

hij vertelt ze verder:

     Dat ghi sonder eeneghe mesdaet

     Reynaerde moghet toren ende quaet

     Doen ende alle zine maghen (A3448-3450 en B3454-3456).

In hs. A3452 wordt dit omschreven als "Dese twee groete vreden" en in B3458 als "Dese schoon vriheden". M.i. is het juister in dit verband van "vriheden" te spreken.

Tegenover al deze fouten en onlogische elementen in A, maar vooral in F, staan slechts een paar echte, inhoudelijke vergissingen in hs. B, namelijk in B2882-2883, waar van Ysegrim gezegd wordt:

     Doemen dus onscoeyde

     Dat bloet hem ouer die oren vloeyde.

Dit zou slechts mogelijk zijn, als Ysegrim aan z'n poten opgehangen is of met zijn poten omhoog ligt, wat volgens B2884-2885:

     Doe ysegrim onscoeyt was

     Most hi gaen leggen in dat gras,

niet het geval is.

   En in B3446 is het vreemd, dat Firapeel aan Bruun en Ysegrim "Schoon scoen" belooft. We weten dat Reynaert er met de schoenen van Ysegrim en Hersinde vandoor is (niet die van Bruun!), maar bovendien hebben ze Reynaert nog niet. Deze belofte is dus behoorlijk prematuur. Hoewel we daar vanuit de andere versies geen steun voor ondervinden, moeten we toch concluderen tot een vergissing van de kopiist. Waarschijnlijk moeten we lezen: "Schoon soen". Firapeel heeft al eerder gezegd: "men saelt soenen" (A3412, F3380 en B3422) en in A3430 zegt hij:

     Jc wille gaen maken die zoene.

 

Vorig hoofdstuk: DEEL V: OVERIGE MOTIEVENVolgend hoofdstuk: V De logische ontwikkelingen in hs B