Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

V.2.1.1. Incidentele anticiperende motieflijnen

Er zijn motieflijnen, die alvast vooruit blikken, argumenten bevatten voor iets wat later zal plaatsvinden, zonder dat daar echt een tekstuele ontwikkeling mee uitgedrukt wordt: incidentele anticiperende motieflijnen, zoals in F1409 enigszins, in B1463 duidelijker Reynaert aan Hermeline belooft een geschenk (Cuwaert, zoals later blijkt) mee te brengen, volgens Arendt (1965, p. 213)516.

De zelfvervloeking van Bruun voordat hij op pad gaat om Reynaert in te dagen, kan gezien worden als een anticiperend motief. Wellicht is ook Reynaerts reactie bij het zien van de nog levende Bruun in de rivier:

     O wy lamfroyt verscrouen druut

     Hoe rikelike een beere huut

     Heefstu heden verloren (A925-928, F909-912 en B946-948),

als zodanig op te vatten aangezien Bruun later wel degelijk (een stuk van) zijn vel zal verliezen.

   In A3204, F3172 en B3226 drukt Bellijn zich volgens Lulofs (1983, p. 286) "niet erg vroom uit. Maar deze bezwering is des te onheilspellender als we bedenken dat Belijns wens prompt in vervulling gaat."517

 

Zijn grote pleidooi begint Reynaert in de hss. A2008, F1999 en B2006 bij wijze van inleiding met te vertellen over de dood van zijn vader. Het is belangrijk voor Reynaert deze figuur te introduceren omdat die later een grote rol in het verhaal van de schat zal spelen. Overigens is ook hier, in B2006-2007 waar Reynaert vertelt dat het vonnis van zijn vader snel uitgevoerd werd, een regressief werkende incidentele motieflijn te onderkennen.

   De enige door Reynaert zelfstandig gepleegde "misdaad", die hij zonder meer toegeeft, is het stelen van de schat in A2146, F2128 en B2165. Door deze bekentenis wordt Nobel gedwongen deze zaak te onderzoeken, waardoor hij vanzelf op het spoor van de samenzwering moet komen en daardoor sympathie voor Reynaert moet gaan voelen.

   Door te veronderstellen dat er anticiperend werkende motieflijnen in de tekst aanwezig zijn, kunnen we een eerder als merkwaardig gekarakteriseerde passage wellicht beter gaan begrijpen. Wat Reynaert bijvoorbeeld in hs. B2629-2631 over de schat vertelt:

     Ghi selt dair mennige scierheit zien

     Edel steen ende gulden werck

     Die weert sijn mennich dusent merck,

past niet in de traditie van de m.i. dubbelzinnige beschrijvingen van die schat in hs. B. Een plausibele verklaring kan echter gevonden worden in het feit dat er sprake moet zijn van vals geld en valse edelstenen in Kriekeputte, zoals Cuwaert zich in A2669, F2640 en B2686 laat ontvallen.

 

Als Reynaert - uit angst dat Nobel zijn leugens door zal hebben - snel vertrekken wil, staat er in hs. B3001:

     Dus bereide hi hem myt groter list,

waarin een vooruitwijzing op de moord op Cuwaert gezien mag worden. Deze passage ontbreekt in de hss. A en F. Eveneens hierop vooruit lopend is de opmerking, dat Bellijn gehoor geeft aan Reynaerts wens Cuwaert te verzoeken Hermeline te troosten,

     So dat hi tot synen oneren

     Jn sijn hol leyde kuweerd (B3087-3088).

Ook dit ontbreekt in de andere versies (waaronder nu ook E).

   Dat Reynaert Cuwaerts hoofd vervolgens naar de koning zendt, wordt alleen in hs. B3221 voorbereid, waar Reynaert zegt Nobel te willen informeren. In het vervolg van hs. B raakt Reynaert in het geheel niet van zijn stuk als Grimbeert hem waarschuwt voor het opnieuw naderende onheil. Hij zegt daarentegen:

     Och lieue neve ist anders niet

     Sy di hier off dus zeer verueert

     Set v te vreden sprac reyneert

     Al had die coninc selue gesworen

     Ende alle die tot sinen houe horen

     Als ic my seluen saet wil geuen

     Jc word noch bouen al verheuen

     Si mogen veel raden of sy

     Mer het hoff en dooch niet buten my (B3818-3826)

(waarin ook nog eens een echo te horen is van wat hij bij de vorige gelegenheid in B1411-1427 tegen Grimbeert zei). Tegen Nobel zegt Reynaert even later, dat hij Bellijn naar het hof teruggestuurd heeft met (een gedeelte van) de schat. Een tocht naar Kriekeputte wordt daarmee voorkomen.

 

De laatste vooruitwijzing van hs. A en F vinden we in het slot van beide teksten:

     Ende daer na sullen wi alle loepen

     Hi heeft mesdaen hi moet becoepen

     Na reynaerde ende sulne vanghen

     Ende sullen sie kele hanghen (A3420-3423, F3391-3393 en B3430-3433).

Aangezien dit plan pas in het vervolg van hs. B zijn beslag lijkt te zullen krijgen - in ieder geval wordt de hofdag met twaalf dagen verlengd (B3478) en worden nog meerdere klachten tegen Reynaert ingebracht -, stelt Buitenrust Hettema (1893) geneigd te zijn "het daervoor te houden dat de oorspronkelijke Reinaert met vs. 3394 sloot" (p. 2, noot 2). Aan suggesties waarom de kopiist deze regels dan aan hs. A en F heeft toegevoegd, waagt Buitenrust Hettema zich echter niet. Juist omdat hs. B verder gaat met verlenging van de hofdag om nog meer aanklachten te verzamelen, heeft ook hier dit handschrift de voorkeur.

   Werd er eerder (zie I.1 Reynaerts wettelijke aansprakelijkheid) al op gewezen, dat het geen recht zou zijn Reynaert nu meteen op te hangen, nu moeten we ons ook afvragen wie het woord neemt in B3421. Vanaf B3405 is het duidelijk Nobel die tot Firapeel spreekt, maar in B3421 (waar hs. A3411 en F3379 hebben: "Doe sprac syrapeel echt") staat: "Wats dan heer coninc warts anders te rade" en hier moet dan wel Firapeel aan het woord zijn. Dan is ook logischerwijs het hierboven geciteerde stukje (B3430-3433) door Firapeel gezegd (ook Buitenrust Hettema 1893, p. 23 stelt dit vast en verbindt hieraan dat Reynaert hiermee vogelvrij verklaard zou zijn) en dat zou dan weer kunnen verklaren dat Nobel en zijn gevolg niet meteen op weg gaan om Reynaert te gaan hangen, wetende dat dat "sonder recht" (B3434) zou zijn. Nobel moet nieuwe aanklachten tegen de vos hebben en gelukkig krijgt hij die tijdens die twaalf dagen verlenging van de hofdag.


 

Vorig hoofdstuk: V Incidentele motieflijnenNiet alle motieflijnstukken behoeven echter tot constructie van een (verhaal)motief te leiden Soms is een lijnstuk niets anders dan een verklaring van wat eerder of later in het verhaal gebeurt en meer niet, soms ook klinkt er alleen nog maar iets in door van wat eerder aan de orde geweest is Ik zou deze motieflijnen "incidentele motieflijnen" willen noemen Een onderzoek naar het gebruik van motieflijnstukken zou de structuur van de tekst bloot moeten leggen Ook hierbij moet dan gekeken worden naar de meest consistente opbouw, als we willen komen tot uitspraken aangaande de authenticiteit van een tekstVolgend hoofdstuk: V Incidentele regressieve motieflijnen