Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

V.2.1.2. Incidentele regressieve motieflijnen

Sommige incidentele motieflijnen werden al in de paragraaf V.1.2. De logische ontwikkelingen van hs. B aan de orde gesteld, zoals Reynaerts excuses voor het laten wachten van Bruun in hs. B587-588, wat aansluit bij het kluizenaarsverhaal dat Reynaert eerder tegenover Cantecleer opgehangen heeft. Daarnaast blijken elementen uit het verslag van Cantecleer te kloppen met datgene wat Grimbeert even tevoren verteld heeft. Juist omdat deze motieflijn telkens verwijst naar iets wat eerder in de tekst vermeld wordt, werkt ze regressief.

   Als Reynaert vervolgens vertelt honing gegeten te hebben, wil Bruun die ook wel eens proeven. Reynaert zegt dan, dat er niet langer getalmd moet worden, met in hs. B675-680 de toevoeging:

     Hoe qualic dat ic oec mach gaen

     Jc moet door uwen wil pinen

     Rechte truwe moet vmmer schinen

     Die ic myt gunsten tot v drage

     Jc en weet onder alle myne mage

     Nyement dair ic my dus om moyde,

waarin Bruun niet alleen stroop om de mond gesmeerd wordt, maar ook het motief van het ziek zijn doorklinkt. Verrassend is Reynaerts uitspraak meteen daarna:

     Nv ga wi oom enen snellen ganck (B683),

waarmee het geveinsde van Reynaerts ziekte juist weer benadrukt wordt.

   Als Tybeert hem indaagt, heeft Reynaert het over Bruun als over "brwn die vraet" (B1110 en F1075), waarmee hij verwijst naar Bruuns vraatzucht, wat Tybeert als waarschuwing had kunnen opvatten.

   Maar Tybeert blijkt al even vraatzuchtig te zijn en ook hij moet het ontgelden. Als hij in de val vast zit, bespot Reynaert hem onder andere met:

     Wist die paep mertynet

     Dat gi sijn wilbraet aet also

     Hi soude v saus brengen dair toe (B1233-1235 en A1212-1216),

waarin we een echo kunnen horen van de beschimping van Bruun als die in de boom vastgeklemd zit (B761-763, A705-706 en F691-692):

     Hier coomt lanfreit hi sal v slaen

     Saen nv schencken had dijs gegeten bet

     Het is goet dat men die spise wel net.

   Als Tybeert eveneens gehavend aan het hof terugkomt, staat er in hs. B1363-1365:

     Sprac die conick wie is hier

     Die een oge off een lier

     Off sijn lijff set ter auentuer,

hiermee verwijzend naar Reynaerts pogingen Bruun en Tybeert te laten vermoorden518 - dit in tegenstelling tot de hss. A1347-1349 en F1335-1337, waar slechts gesproken wordt van "hoeghe ofte sijn lier". Naar deze scènes, alsmede naar de moord op Coppe en Cuwaert, verwijzen op hun beurt weer de latere aanklachten en de tweede biecht tot Grimbeert (B3957-3986) uit het vervolg. De bedoeling van dit soort herhalingen lijkt Wackers (1986) om het publiek te helpen om de draad van het verhaal vast te houden. "Het heropnemen van belangrijke elementen of thema's stelt het publiek in staat de hoofdlijn beter te blijven volgen" (p. 132)519.

   Dat Reynaert in A1356-1357, F1344-1345 en B1372-1373 een derde keer daadwerkelijk ingedaagd wordt, hoeft geen lezer/luisteraar te verrassen, want in A1023, F1009 en B1045 wordt dat al met zoveel woorden voorzegd als Tybeert op pad gestuurd wordt:

     Men salne drie weruen daghen.

 

In de hss. A1431 en F1419 is sprake van heide in de buurt van Reynaerts huis, waar hij en Grimbeert aankomen op hun route naar het hof. Als Reynaert zijn grote openbare biecht na zijn veroordeling uitspreekt, komt die heide ook ter sprake (in A2284, F2252 en B2311). Daar lezen we dat Reynaert vertelt hoe Hermeline met Grimbeert c.q. Grimbeerts vrouw "sloppel kaerde" over de heide loopt.

 

Ook de bedekte termen waarin Reynaert zijn verhouding met Hersinde vertelt (A1650-1655, F1640-1644 en B1666-1671) kunnen opgevat worden als een weerklank van de bedekte toespeling op de eventuele verhouding die bestaan zou kunnen hebben tussen Cantecleer en Coppe. Omdat hier duidelijk gemaakt wordt dat incest

     (Jc hebbe gheslapen bi miere moyen (A1667, F1657 en B1681))

afkeurenswaardig is, kan het zelfs opgevat worden als motivering van de omzichtigheid bij het mededelen in het eerdere geval.

Aan het hof worden Bruun, Tybeert en Ysegrim al snel aangespoord haast te maken met de voltrekking van het vonnis:

     Doet tybeerte mede gaen

     Hi mach clemmen hi mach de lijne

     Vp draghen sonder huwe pijne (A1945-1947 en F1936-1938).

Daar dit tegen Bruun gezegd wordt, kan daarin een verwijzing gezien worden naar Bruuns gehavende poten, al is het in hs. A de koning die dit zegt en in hs. F Reynaert. In hs. B, waar eveneens Reynaert het woord voert, is in de overeenkomstige passage:

     Brwn gaet voor ende leyt my

     Tybert west hem vaste by

     Wacht wel dat hi v niet ontgaet (B1975-1977),

eerder een verwijzing naar Tybeerts beperkte gezichtsvermogen te zien.

   Hs. B2018-2019 heeft de enige versie die iets over Tybeerts gevoelens omtrent de strop om zijn nek mededeelt:

     Hem was al wee in synen crop

     Van den stric dat hem vynck.

Bruun op zijn beurt wordt aan zijn avontuur herinnerd door Ysegrim in B2056-2059:

     Denct nv om die rode crwn

     Die gi ontfenct bi reyers scout

     Twair tijt dat ghijs hem nv vergout

     Die quaetheit die hi v ye gedede,

waarmee Bruun een motief gegeven wordt mee te helpen Reynaert te hangen. Hoewel Bruun zijn "rode crwn" eigenlijk aan zijn eigen vraatzucht zou moeten wijten, was het wel degelijk Reynaert die daar de schuld van mag krijgen, omdat die op die vraatzucht inspeelde, wel wetend dat Bruun niet ongeschonden uit de strijd zou kunnen komen.

   Ook Tybeert heeft zijn verminking aan zichzelf te wijten. Reynaert vraagt zich dan ook af:

     Bi gode soudic dat ontghelden (A1831, F1821, B1853 en D1853),

dat Tybeert (in A1828-1830, F1818-1820, B1850-1852 en (corrupt) D1850-1852)

     Of hi hute om stelen ghinc

     Tes papen sonder minen raet

     Ende hem die pape dede quaet.

Dit gaat echter alleen voor 100% op, wanneer hs. B aangehouden wordt, want alleen in B1208-1210 zegt Reynaert tegen Tybeert:

     Coomt des off ende laet ons keren

     Tot mynen wiue die ons myt eren

     Ende myt bliscap sel ontfaen;

de hss. A1187-1188 en F1175-1176 hebben hier wel degelijk de aansporing:

     Gaet heten ende laet ons keeren

     Te miere herberghen met eeren.

Eerder werd er al op gewezen, dat Nobels actie Cantecleer de mond te snoeren in de hss. A1808-1810, F1796-1798, B1826-1828 en D1826-1828 alleen gemotiveerd kan worden door te stellen dat de figuur van Cantecleer niet gunstig zou werken bij het beschuldigen van Reynaert.

   En als Reynaert dan toch moet sterven, dan maar liever snel:

     Doch ic en mach mer eens steruen

     Ende dat woudic dattet wair gesciet

     Want doe mijn vader sijn leuen liet

     Doe wast kort myt hem gedaen (B2004-2007),

waarin we een naklank vinden van B1972-1974, waar hij Tybeert, Ysegrim en Bruun tot spoed maant:

     Het is my leet dat ic so lange leue

     Haest uwer gi zijt dair toe geset

     Tis quaet dat gi so lange let.

In B2199 benadrukt Reynaert zijn dramatische toestand door tegen de koningin te zeggen:

     Ic bynt die nv steruen waent,

door het woordje "nv" een tegenstelling met Nobel oproepend, die hij immers van een moordaanslag gered heeft. De hss. A2182 en F2164 hebben hier het veel neutralere:

     Jc bem een die steruen waent.

 

Een dergelijk miniem (maar distinctief) verschil vinden we ook in de verhalen over Ysegrim, die Reynaert daarna vertelt. Als Ysegrim als monnik te weinig te eten krijgt en zich daarover beklaagt, zegt Reynaert:

     Doe haddics rauwe als een zijn maech (A2714, F2685 en E2685),

hetgeen wil zeggen dat Reynaert medelijden met hem had alsof hij een familielid van de wolf was. B2731 heeft echter:

     Doe halp ic hem als maech,

voortbordurend op B2126 en A2098, waar hij vertelt dat Ysegrim hem voorrekende dat ze familie van elkaar waren.

Naast Ysegrim moeten Tybeert, Bruun en Grimbeert het ontgelden als Reynaert over de schat en de samenzwering vertelt. Hij begint zijn relaas in de hss. A2222 en B2243 met:

     Jc sal hu lesen sonder brief.

Mogen we daarin een zinspeling op de situatie met Cantecleer zien, die hij met een valse brief om de tuin leidde?

En als Reynaert Nobel vertelt waar zijn schat verstopt ligt, raadt hij hem aan goed acht te slaan op de naamgevingen (A2595, F2559, B2609 en E2559), waarin we dan weer een allusie kunnen zien op de proloog, waar de schrijver de lezer/toehoorder eenzelfde raad geeft.

   De schat nu zou volgens A2606-2607, F2569-2570520, B2619-2620 en E2569-2570 verborgen zijn onder twee berken bij een put. Nobel stelt dan ook later, in de hss. B2711-2714 en E2665-2668, voor te gaan

     Ten put dair die berck staat

     Dair die scat leit onder521.

   Die schat zou ook voor Grimbeert, Ysegrim en Tybeert een belangrijke drijfveer geweest zijn mee te doen met Bruun en Reynaerts vader, want volgens hs. B2283-2290 hielden de samenzweerders "haer perlement" bij het dorpje "hijfte",

     Jn enen donckeren langen nacht

     Ouermits des viant cracht

     Ende mijn vaders gewelde

     Dien dwanc myt synen gelde (B2286-2290).

   Een (opzettelijk bedoeld) sterk punt in Reynaerts betoog is de beschuldiging van zijn eigen vader en neef. Vooral de koningin blijkt hier gevoelig voor en daardoor overtuigd, voert zij het in A2522-2523, F2485-2486 en B2547-2540 zelfs aan als argument om Nobel van Reynaerts eerlijkheid te overreden:

     Ghi hebt ghehoert hoe hi den das

     Ende sinen vader heuet bedreghen.

 

Als Nobel dan de kant van Reynaert kiest, vliegt Tieceline naar de galg om Bruun, Ysegrim en Tybeert te waarschuwen. Bruun en Ysegrim spoeden zich naar het hof; de bange Tybeert blijft achter:

     Hi was van sinen ruwen balghe

     Jn zorghen so groet vtermaten

     Dat hi gherne wille laten

     Sine oeghe varen ouer niet

     Die hi in spapen scuere liet (A2815-2819, F2783-2787 en B2813-2817),

gevolgd door:

     Jn dien dat hi verzoent ware (A2820 en F2788)

of:

     Op dat hi reynaerts vrient waer (B2818).

Deze angst van Tybeert hebben we al eerder in de tekst kunnen constateren, en ook toen in hs. B het sterkst. Als Tybeert namelijk door de koning uitverkoren wordt om Reynaert in te dagen, zegt hij in hs. B1048-1056:

     Ay heer coninck die v dit raden

     En hebben niet lieff mijn vrome

     Wat sal ic doen alsic dair come

     Door my en doetmen of en laet

     Seynt dair een ander dats mijn raet

     Want ic bin een cleyn dier

     Brwn die sterc is ende fier

     En conste reynaert niet verwynnen

     Jn welker wijs sel ics begynnen,

terwijl de hss. A1026-1030 en F1012-1016 slechts overeenkomen met de laatste vier versregels van het geciteerde.

   Maar Tybeert krijgt al gauw gelijk dat hij niet meegaat naar het hof, want Ysegrim en Bruun moeten het ontgelden (waarnaar in B6750-6753 verwezen wordt, als Reynaert bedenkt dat Ysegrim gewond is en dus in het nadeel zal zijn bij het uiteindelijke tweegevecht). En als Reynaert dan met zijn schoenen en "scerpe" op weg gaat, vraagt hij Bellijn en Cuwaert hem te begeleiden. In zijn argumentatie dat zij net zo goed leven als hij zelf deed, "als ic clusenare was" (A3064, F3030, B3064 en E3030), wordt gezinspeeld op Grimbeerts verhaal in A266-271, F254-259 en B291-299.

   Als ze gedrieën bij Mapertuus aankomen, vinden Reynaert en Cuwaert Hermeline

     Met haren cleenen welpkinen (A3093, F3059 en B3090)

- hs. E3059 heeft foutief:

     Bi haren clenen wolpinen.

In hs. B3089-3090 kunnen we m.i. een naklank zien van Hermeline's zwakte, als daar staat:

     Dair vonden sy leggen op die eerd

     Vrou ermelijn by haren iongen.

Hermeline is immers mogelijk net bevallen van haar tweede zoon.

   Om het idee te ontkrachten dat hij de moordenaar van Cuwaert zou zijn, alsmede om het schatverhaal af te ronden, houdt Reynaert in B5248-6176 een redevoering, waarin hij beweert Bellijn met drie juwelen naar het hof gestuurd te hebben, de koning een goed hart toe te dragen en eerlijk recht voltrokken te willen zien.

   En zo zijn er meerdere incidentele regressieve motieflijnen te vinden in het vervolg van hs. B. Niet alleen begint het vervolg weer met een aanklacht (van het konijn "her lapeel" (B3504-3548)), waarna een vogel, "corbout die die roeck" Reynaert beschuldigt van het vermoorden van zijn vrouw "scerpen neb" waarbij hij als bewijs de veren van zijn betreurde echtgenote meebrengt (B3558-3617)522, ook andere elementen uit de tekst doen onmiddelijk denken aan passages uit het eerste gedeelte van hs. B (tot en met B3468). Zo wordt er geijverd voor een eerlijk proces voor de vos in B3666-3707 (dit keer door de koningin en Firapeel), maar opnieuw lijkt dit mis te lopen zodat Grimbeert op weg moet om zijn oom over te halen naar het hof te komen (B3755-3776). De manier waarop hij vervolgens Reynaert lijmt (B3772-3773) doet erg veel denken aan B1404-1410, waar Grimbeert Reynaert eerder indaagde. Ook Reynaerts reactie in B3824-3826 is soms bijna woordelijk dezelfde als in B1418-1423. Uiteindelijk blijft Hermeline droevig achter (B3940), net als in B1467-1468. Op de heide gekomen laat Reynaert de das in B3957-4275 de biecht afnemen, precies als in B1480-1683. Uiteraard komen in die biecht ook verscheidene streken van Reynaert voor die de lezer/toehoorder inmiddels al weet (B3964-3989) uit het eerste gedeelte van B. Aan het eind ervan (B4124-4127) neemt Grimbeert hem vooral kwalijk dat hij Cuwaerts hoofd terugstuurde en de koning beloog. Bij het hof aangekomen gaat Reynaert opnieuw (net als in B1790-1813) in de aanval in B4306-4342, maar ook nu (net als in B1814-8123) ontsteekt Nobel meteen in woede (B4346-4351), waarna Reynaert in B4410-4411 opnieuw refereert aan het feit in de ban te zijn en zelfs de naam "herman" (B4511) weer laat vallen (volgens R. Malfliet: Van den Vos Reynaerde, De feiten, Antwerpen – Apeldoorn, 2010, p. 205 en 291, te identificeren met Herman van Bonn), alsmede herhaalt wat de reden was voor zijn verbanning (B4513-4515). Ook vertelt hij dat hij naar Rome zou gaan (B4525), maar dat zijn oom Mertijn in zijn plaats ging. Dit laatste omdat hij zelf niet wilde uit angst voor wat er tijdens zijn afwezigheid met zijn gezin zou kunnen gebeuren (B4524-4529). In de voorstelling van zaken omtrent de gebeurtenissen met Lampreel herinnert Reynaert er nog eens aan dat hij "geen vleisch en plach te eten" (B4453) en vastte omdat het tegen Pinksteren liep (B4455). Lampreel en Corbout verlaten het hof en daarmee lijkt voor Reynaert de lucht geklaard, maar dan herinnert Nobel hem aan het terugsturen van Cuwaerts kop, waar hij Reynaert wel degelijk voor verantwoordelijk houdt (B4689-4710). Vervolgens begint Rukenau aan haar verdediging. Daarin last ze onder andere het verhaal van de man en de slang (B4861-5045), waarin Corbout, Ysegrim en Bruun de kant van de slang kiezen. Vervolgens moeten Ysegrim en Bruun het ontgelden (B5046-5059). De rijen van magen en vrienden en allen die "reynaert bestaen" (B5177) sluiten zich (onder hen wordt vermeld de vrouw van Grimbeert: "lupelkaerde" (B5182) (in B2306 heette ze "sloppel kaerde", in B7427: "slappelcaerde" en in C7421: "slupecade")) en Rukenau durft ervoor te pleiten Reynaert de kans te geven zijn onschuld te bewijzen (B5220-5225) en dan reageert de koningin:

     Die coninghin sprac ic en doets ghiement523

     Vrou dit seide ic hem ghisteren wel

     Mer hi was so door fel

     Dat hi dair na niet hooren en woude (B5226-5229).

De koning staat Reynaert dan op voorspraak van (opnieuw) de koningin en Firapeel toe zijn zegje te doen, maar niet na hem nog even de dood van Cuwaert en de belediging van het laten bezorgen van diens hoofd voor de voeten hebben gegooid (B5241 en ook later in B5269-5270 als interruptie). Natuurlijk begint Reynaert dan weer een leugenverhaal (B5257-5259, te vergelijken met B2240-2241). Dit keer heeft hij Bellijn teruggestuurd met drie juwelen uit zijn vaders schat (B5441) in de "scerpe" (B5902). Als Reynaert dan de spiegel beschrijft, verweeft hij daarin in B5734-5752 het verhaal van de jaloerse ezel die even veel privileges als de hond wil. Het verhaal eindigt met:

     Wair ezels crigen heerscappien

     Dair ziet ment selden wel dyen,

en horen we daar niet een echo van de "pudenfabel" uit B2328-2349, A2299-2322 en F2267-2294? En doet de spottende tekst van Tybeert in 5790-5791 als die Reynaerts vader bij een achtervolging in de steek laat:

     Wat reynaert ondoet nv uwen sack

     Daer al die raet in is het tis tijt,

niet erg denken aan de opmerking tegenover Hermeline als ze net Cuwaert hebben zitten oppeuzelen:

     Hy en selt dair noch quader vijnden

     Wil ic mynen sack ontbijnden (B3220-3221)?

   In Reynaerts rede komen Ysegrim en Tybeert er even slecht af als Ysegrim en Bruun in zijn eerdere openbare biecht.

   Als hij hoort wat er onderweg met Cuwaert gebeurd is, zegt hij - geheel in de geest van het eerdere gepaai om ze mee te krijgen (B3053-3068, A3053-3068 en F3019-3034) - van de haas en de ram:

     Het waren die trouste vrienden twee

     Die ic waen te krigen vmmermee (B5906-5907).

   Uiteindelijk lukt het Reynaert, net als op het eind van de hss. A en F de koning op zijn hand te krijgen. Deze zegt hem zelfs hulp toe als hij daarom verlegen zou zitten (B6235-6236). Maar dan komt Ysegrim weer op de proppen met een verkrachting van Hersinde op het ijs, waarna zowel hij als zijn vrouw slaag kregen van de dorpelingen (B6264-6335), terwijl Reynaert tegen Grimbeert slechts gesproken had van Ysegrim die in de winter ging vissen en vast kwam te zitten zodat hij een gemakkelijke prooi voor de dorpelingen was (B1542-1544, D1542-1544, A1504-1507 en F1494-1497).

   Vervolgens vertelt Reynaert van de ontmoeting met Rukenau en haar smerige524 kinderen en daarbij wordt een even berekenende verwantschapsrelatie te pas gebracht (B6564-6569) als bij Ysegrim eerder het geval was. Alleen wordt Ysegrim hier het slachtoffer van die relatie, die Reynaert met Rukenau in het leven roept. Want Ysegrim luistert niet naar Reynaert met als gevolg, dat hij er behoorlijk gehavend vanaf komt:

     Hy quam voor thol ende woud dair in gaen

     Mer mijn moey die scoot op zaen

     Mit haren kijnderen ende liepen hair toe

     Ende wonden hem zeer doe

     Mit haren nagelen scerp ende lanck

     Dat hem tbloet wtten ogen spranck

     Jc hoorden kriten ende hulen zeer

     Mer en vermat hem geenre

     Hy en deed anders niet dan hi vlo

     Wtten hool hi was also

     Seer gecrabbet ende gebeten

     Dat sijn vel al was gereten

     Jn sins selfs pels mennich gat

     Sijn aensicht was van bloede nat

     Ende van sijn oor oec off een stick (B6675-6689).

Eindelijk! We hebben er lang op moeten wachten, maar na Bruun en Tybeert is nu ook Ysegrim in het verhaal zelf toegetakeld. En het lijkt erop dat de wolf er het ergst aan toe is, want hij heeft zowel een bloedend oog als een stuk van zijn oor eraf - later, in B7136 en C7129, zal Reynaert hem in het gevecht van een oog beroven. En net als Bruun en Tybeert is Ysegrim van tevoren terdege gewaarschuwd (B6629-6633), doch ook hij blijkt een "vraet" (B6745) te zijn.

   Ysegrim ontsteekt in woede en herhaalt alle beschuldigingen die hij eerder aan Reynaerts adres heeft geuit, waaronder de "scandalisering" van zijn vrouw Hersinde (B2727). Uiteindelijk werpt hij Reynaert de handschoen toe (B6739). Reynaert denkt meteen aan de "ontscoeyde" voorpoten van de wolf (B6751-6752) en ziet daarin een punt in zijn voordeel. Ook Rukenau herinnert Reynaert daaraan (B6842-6843 en C6842-6843). En inderdaad spelen de verwondingen Ysegrim parten in B7080-7084 en C7073-7077). Toch weet hij op een gegeven moment Reynaert onder zich te krijgen en hij herinnert hem dan opnieuw aan de "scandalisering" van Hersinde (B7328-7331 en C7322-7325).

   Deze referentiële elementen in het vervolg van Hs. B (en C) wijzen er in ieder geval op, dat dit vervolg niet zomaar los aan het eerste stuk (tot aan B3469) hangt. Ook Van Oostrom 2013 (F. van Oostrom: Wereld in woorden, Geschiedenis van de Nederlandse literauur, Amsterdam 2013, p. 324) lijkt dat toe te geven, al blijft hij evengoed bij zijn standpunt – het lijkt wel een reactie op deze studie! – dat het bij Reynaert II “wel degelijk om een vervolg gaat” (F. van Oostrom: Wereld in woorden, Geschiedenis van de Nederlandse literauur, Amsterdam 2013, p. 322) t.o.v. Van den vos Reynaerde. Me dunkt dat hs. B in zijn geheel wel degelijk een consistent geheel genoemd mag worden. Niet alleen wordt in het vervolg van B regelmatig verwezen naar gebeurtenissen uit Van den vos Reynaerde, ook worden motieflijnen in Van den vos Reynaerde in dat vervolg afgehecht.

 

Vorig hoofdstuk: V Incidentele anticiperende motieflijnenVolgend hoofdstuk: V De consistentie in enkele verhaalmotieven