Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

V.2.2.5. Het bijgeloofsmotief

"De middeleeuwse mentaliteit was geobsedeerd door het idee van de groep en beschouwde een bepaald minimum aantal leden als bestaansvoorwaarde. [...] Van wezenlijk belang was in elk geval het individu niet alleen te laten. De alleenstaande kon slechts tot kwaad vervallen. De grote zonde was zich af te zonderen"541 volgens de canonisten. "Het individu gold in de middeleeuwen als een gladjanus. De verschillende vormen van drukkend collectivisme verschaften het woord 'individu' een onguur aureool. Slechts door een wandaad kon het individu aan de groep ontkomen. Het individu was aas voor de galg, prooi voor de politie. Het individu was verdacht."542

In verscheidene publicaties is al gewezen op wat we gemakshalve het middeleeuwse bijgeloofsmotief zullen noemen. Het bijgeloof zou tot ver in de zestiende eeuw een rol van betekenis blijven spelen in de werkelijkheidsbeleving van de mensen543. Ook in de Reynaert speelt dit motief een rol544.

De belangrijkste tegenspelers van Reynaert - Ysegrim, Bruun en Tybeert - zijn alledrie mogelijk te zien als mensen in diergedaanten545. De wolf zou een weerwolf kunnen zijn546. "Hij werd gevreesd als de Fenriswolf die volgens de Germaanse mythologie de ondergang van de wereld zou veroorzaken. Hij werd vereerd als het voorbeeld voor de krijgers die zich beschermd wisten door zijn huid en die zijn kop als masker of helm droegen. Hij was het lievelingsdier van Wodan547 en liep met hem mee als het dodenleger rondtrok. Maar met de kerstening werd hij op den duur toch vooral de gevreesde vijand, de weerwolf, die nu in verbinding stond met de Boze zelf"548 (Datzelfde geldt voor de beer549).

   De beer zou een manbeer kunnen zijn en de kater een heksenkater550, die zich in A1045-1059, F1031-1046 en B1069-1082 blijkt bezig te houden met vogelwichelarij551 (een heidense bezigheid die past bij het gedrag van een kater die in verbinding met heksen staat)552. Het is dan ook geen wonder dat Reynaert niet meteen met Tybeert naar het hof wil. Het zal namelijk al gauw nacht geworden en de maan schijnt ook nog eens helder (A1099-1100, F1086-1087 en B1121-1122)553 En blijkbaar is dat voor Tybeert een argument, die door het als zodanig te accepteren bijna een bekentenis doet! Overigens wordt dat in het directe vervolg gelogenstraft: de kater blijft een kater, ook al zit hij nog zo in het nauw.

   We moeten er dan ook niet van staan te kijken als de dorpelingen in het verhaal, met als voorganger de "pape", Bruun en Tybeert (en volgens de verhalen van Reynaert ook Ysegrim) proberen te doden. Vooral bij Bruun komt de verbetenheid van de dorpelingen goed tot uiting. De algemene uitspraak in B813-814:

     Heeft een scande ende ongeual

     Ouer hem so wil dat volc al

geeft dit beter te kennen dan de nog algemenere uitspraak in A770-772 en F756-758:

     Die scade heuet of verlies

     Ende groet ongheual

     Ouer hem so willet al,

waarin de voorstelling onpersoonlijker is; de veroorzaker van Bruuns ondergang, het volk in dit geval, wordt niet vermeld.

   In de christelijke middeleeuwse samenleving kon deze aframmeling ook niet uitblijven, daar Bruun er zelf om verzocht had554. Zei Bruun immers bij zijn vertrek (A490-491 en F476-477) niet hoogmoedig:

     So moete mi god vermalendyen

     Of mi reynaert so sal honen,

of (in B518-519):

     So geeff my god ongeual

     Off ny reynaert yet honen sal!

Als Nobel dan in A998-999 en F984-985 uitroept:

     [...] of ic dit niet

     Ne wreke so moetic zijn verdoomt,

is dat dus zeer riskant. Bruun mag gezien worden als verlengstuk van 's konings macht, en als Bruun al zo voor zijn ondoordachte aanroeping van het hogere gestraft wordt, .... Nobel is volgens hs. B echter "vroeder". Hier legt hij een veel zwakkere eed af, en terecht (want hem overkomt niets):

     Nvmmermeer en moet ic sweert

     Gorden aen my noch dragen croon

     Heer brwn ic en sel v schoon

     Wreken. gi sels my weten danck (B1021-1024);

vervolgens wordt Tybeert door de raad van baronnen aangewezen om Reynaert te gaan halen.

   Overigens is het opvallend, dat Reynaert in geval van nood God juist te hulp roept, zoals in B2097 en A2065:

     Nv helpt my spiritus domini.

 

Bij Mapertuus555 aangekomen stelt Reynaert aan Tybeert voor

     Morghen mitter dageraet (F1081, A1094 en B1116)

naar het hof te gaan, daar het al avond wordt. Heksenkaters kunnen 's nachts van gedaante veranderen - zeker heldere maannachten zijn voor de duivelse transfiguratie uitermate geschikt556 - en een heks kan Reynaert niet aan, maar een kater denkt hij nog wel te kunnen "verscalken"; dit in tegenstelling tot Bruun, die hem als beer ook al "so ouer staerc" (A1090, F1077 en B1112) voorkomt. Tybeert probeert echter - geheel in overeenstemming met dit motief - Reynaert diezelfde avond nog mee te krijgen naar het hof. In B1123-1124 doet hij dat met de woorden:

     Jc waen dat nyement en sach

     Beter weer tot onser vaert

(terwijl A1102 en F1089 i.p.v. "weer" het woord "tijt" hebben), waarmee het heksenkater karakter van Tybeert onderstreept zou kunnen zijn557, want de nacht was "vooral de tijd van de bovennatuurlijke gevaren: de tijd van de verzoekingen, de geesten en de duivel."558 Dat vlakbij Reynaerts huis een "pryoriteit" (A1696), een "couent" (F1685), dan wel een "clooster" (B1716) van "zwarten nonnen"559 (A1696 en B1716) gevestigd was, past ook nog eens geheel bij het dubbelzinnige karakter van de kater. "Ganz verwandt sind sodann die erzählungen von der schwarzgefärbten Katze [...], die dadurch, so lange die farbe dauert, den schein einer schwarzen nonne annimmt." (Grimm 1834, p. CCLXXIII)560.

   De bijzondere betekenis die aan de nacht moet worden gehecht, wordt mogelijk in B1335 nog eens benadrukt door de toevoeging:

     Na haerre ouder wisen,

als gezegd wordt:

     Ende die son began te rysen (B1334, A1319 en F1307),

terwijl Tybeert bij Nobel aankomt,

     [...] mitten enen oge blint (B1341)

- maar A1325 en F1313 hebben iets overeenkomstigs -, waarbij onwillekeurig ook nog eens reminiscenties aan middeleeuwse voorstellingen van de duivel opgeroepen worden561, wat het vervolgens begrijpelijker maakt, dat van Julocke gezegd wordt, dat

     Sy sprac in des duuels name (B1295, A1276 en F1264),

als Tybeert haar "pape" zwaar gewond heeft.

   Deze uitdrukking wordt later ook ten aanzien van Ysegrim gebezigd562, maar dan is het Reynaert die (in A2706-2707, F2677-2678 en E2677-2678) zegt:

     Doe ysingrijn in sduuels name

     Jn die ordine ghinc hier te voren563.

B2723-2724 heeft hier zelfs de synonymie:

     Doe ysegrym een duuels name

     Jn die oorde ghinc hier te voren564.

Later, als Reynaert en Ysegrim tegenover elkaar in het strijdperk staan om hun laatste gevecht op leven en dood te leveren, fluistert Rukenau de vos toe:

     Pijnt nv uwen viant te verwynnen

     So heb di ewelic den prijs (B6936-6937 en C6936-6937).

Aan het weerwolfkarakter van Ysegrim565 geeft Reynaert wellicht verder voeding door na de beschrijving van Ysegrims aframmeling door de pape en de dorpelingen in A1567-1602, F1557-1592 en B1602-1614 te laten volgen:

     BUten dien dorpe in eene gracht

     Bleef hi ligghende al dien nacht

     Jnne weet hoe hi danen voer (A1603-1605, F1593-1595 en B1615-1618),

en open te laten hoe hij, in de nacht, ontkwam, terwijl hij daar toch lag

     Jn onmacht ender ouerdoot (B1617)566.

Wel moeten we er goed nota van nemen, dat Reynaert hier aan het woord is en dat die probeert zichzelf vrij te pleiten, wat hem op dit moment overigens nog niet lukt, want men besluit hem tóch te hangen (maar later, in het vervolg van hs. B, vertelt Ysegrim zélf hoe hij en Hersinde dankzij het vallen van de nacht (B6321) aan hun achtervolgers konden ontkomen, die hen "by nacht" niet durfden volgen (B6330)).

   Opvallend is dan dat, als daartoe eenmaal besloten is, Ysegrim en Bruun in de hss. A en B worden gemaand haast te maken, omdat het al bijna avond is:

     [...] twi sidi traech

     Ysingrijn ende heere bruun

     Reynaerde es cont menich tuun

     Ende hets den auonde bi (A1903-1906 en B1932-1935),

met dit verschil, dat het in hs. A (en F, maar dat heeft de tijdsaanduiding niet) Nobel is, die hen ertoe aanzet en in hs. B Tybeert. Was het eerder Reynaert die 's avonds niet met Tybeert mee wil (A1103-1107, F1090-1094 en B1125-1129), nu is het in hs. B Tybeert die voor de avond van Reynaert af wil zijn567. En Ysegrim springt daar meteen op in (doordat hij precies aanvoelt waar Tybeert op aanstuurt?) door te zeggen dat hij nog wel een galg in de buurt weet:

     Jsegrim die was zaen bedacht

     Ende sprac hier is een galge bi (B1944-1945),

waar A1915 en F1908 hebben:

     Ysingrijn was wel bedacht.

   En omdat ze zo'n haast hebben, is het heel verklaarbaar dat ze Reynaert meteen meevoeren naar die galg, zoals in hs. B2023-2031 gebeurt. De galg staat er immers al568 (hij was gebruikt bij de terechtstelling van Ysegrims broers), dus het gereedmaken ervan zou wel niet veel tijd in beslag nemen. Waarom Reynaert dan achtergelaten om hem daarna op te gaan halen, zoals in de hss. A en F de gang van zaken is569?

   Het belang van het verschil tussen dag en nacht wordt verder herhaaldelijk onder de aandacht gebracht. Reynaert lijkt zich echter aan deze tweespalt in het etmaal te onttrekken, want volgens A408 en B436 (F394 heeft iets overeenkomstigs) legt hij zijn lagen

     Beede bi nachte ende bi daghe,

terwijl Grimbeert - volgens Lulofs 1975, p. 244, een taboenaam voor de duivel570 - hem in het vervolg van B waarschuwt voor de dreigende vervolging en hem, teneinde hem opnieuw mee te krijgen naar het hof paait met:

     Ghi zijt thooft van onsen geslachte

     Wijs van rade bi dage en by nachte (B3769-3770).

En als Nobel Reynaert vrijspreekt, zegt hij:

     Ende ghebiede hu allen bi huwen liue

     Dat ghi reynaerde ende zinen wiue

     Ende zinen kindren eere doet

     Waer si commen in hu gemoet

     Sijt bi nachte zijt bi daghe (A2780-2784, F2748-2752 en B2782-2786)

Misschien is het daardoor ook niet zo opmerkelijk meer, dat Nobel juist in A2777-2779 en F2745-2747 met nadruk driemaal de vrede over Reynaert uitspreekt571:

     Reynaerde ghebiedic vullen vrede

     Anderwaerf ghehiedic hem vrede

     Ende derde waeruen mede;

in hs. B blijft zoiets achterwege.

 

Vanwaar nu toch al deze tekenen van bijgeloof, zo zouden we ons kunnen afvragen. Interessant is dan, wat Le Goff (1984) daarover meldt. Allereerst is van belang te weten dat reeds de vroeg-middeleeuwse samenleving was ingericht en afgestemd op het einde der tijden572. Later kwam daar vooral de figuur van de duivel bij als machtsondermijnend element in die samenleving. "Satan was een creatie van de feodale samenleving, hij is het prototype van de trouweloze vazal, de verrader, evenals zijn metgezellen de opstandige engelen"573, hij was "het symbool van de intellectuele begeerte en de seksuele lust"574. Geen wonder dat seksuele handelingen vooral in dubbelzinnige beeldspraak verpakt wordt, want seksualiteit was het domein van de duivel575. "De duivel kon in twee gedaanten verschijnen - hetgeen er waarschijnlijk op wijst dat deze figuur een dubbele oorsprong had - als bedrieglijk bekoorlijke verleider of als afschrikwekkende kwelgeest. Aan mensen die hij niet met geweld maar slechts met list kon overwinnen, verscheen hij meestal als verleider. [...] Als het vrouwen betrof gaf de duivel meestal de voorkeur aan geweld, in ieder geval nam hij er gemakkelijk zijn toevlucht toe als zijn list faalde. [...] Vaak moesten de ongelukkige slachtoffers van de duivel, ongeacht of het mannen of vrouwen waren, zich de seksuele buitensporigheden laten welgevallen van diens demonen: de incubi en de succubi."576 Voornamelijk heiligen konden dan hulp bieden. "Dat nu was een van de belangrijkste taken van de echte heiligen: zij dienden de kwaaddoeners, deze verrichters van valse wonderen, dat wil zeggen de demonen en hun aardse helpers de tovenaars, te doorschouwen en te verjagen. De heilige Martinus gold als een meester op dit gebied. Hij blonk uit door zijn vermogen, demonen te herkennen, ongeacht hun vermommingen577, zegt de Legenda aurea."578

   Martin (1874) had intussen zijn licht al over de "roden baerde" (F60 en B70, maar in hs. A ook herhaaldelijk genoemd) van de vos laten schijnen: "über das noch jetzt volksthümliche Vorurteil gegen rothe Haare s. Grimm, R.F. XXIX [...]. Wernher von Elmendorf 730 hüete dich vor dem rôtin gesellen. Carm. occ. auct. (Nicolaus von Bibera) 675 sub barba ruffa raro fore cor sine truffa. Daher auch Judas, ebenda 689, und oft auf Gemälden, mit rothem Haar und Bart erscheint. Maerlant, Rijmb. 1, 909 (1323) die Joden die vule onreine valsche roden."579 Ook Kuiper 1980 gaat uitvoerig in op de door bijgeloof gevoede negatieve betekenis van de rode haarkleur voor de middeleeuwer. En vooral in het dierenrijk werd die wereld van het kwaad getransponeerd580, want de "middeleeuwse maatschappij was van hoog tot laag onophoudelijk op zoek naar een uitweg uit de leugenachtige aardse werkelijkheid. Kunst en literatuur wemelen van de integumenta, sluiers. Intellectuele of esthetische activiteit was in de middeleeuwen allereerst ontsluiering."581

 

Vorig hoofdstuk: V Het clanmotief Volgend hoofdstuk: DEEL VI: CONCLUSIE