Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

DEEL VI: CONCLUSIE

VI.1. Inleiding

Van de Middelnederlandse Reynaert zijn (de Latijnse en de prozabewerkingen niet meegerekend) ons een zevental handschriften overgeleverd. Deze handschriften zijn zeer waarschijnlijk tussen 1275 (hss. E en G) en 1490 (D) vervaardigd [de Reynardus Vulpes is volgens L1841 tussen 1272 en 1279 te dateren en de prozabewerkingen in respectievelijk 1477 (P) en 1485 (Pd)]. Binnen die zeven handschriften kunnen we drie "handschriftfamilies" onderscheiden: hs. E vertoont grote overeenkomsten met F (97,5%) en veel overeenkomsten met A (93,0%); hs. G vertoont veel overeenkomsten met A (92,2%); D vertoont tamelijk veel overeenkomsten met B (88,9%), terwijl C weer grote overeenkomsten vertoont met B (92,5%). A en F vertonen onderling ook weer tamelijk veel overeenkomsten (89,1%). De neiging is groot te veronderstellen, dat A naar G of E geschreven is, dat F naar E geschreven is en dat B (of C) model gestaan heeft voor D, ware het niet dat er nog veel en veel meer handschriften moeten hebben bestaan, die in de loop der eeuwen helaas(!) verloren gegaan zijn. Reden om geen al te haastige conclusies te trekken uit onderzoek van datgene wat we - bij toeval - wel hebben.

Onder de verloren gegane geschriften moet zich ergens het origineel bevinden, waarvan niemand precies weet door wie, waar en vooral wanneer het geconcipieerd werd. We mogen namelijk niet uit het oog verliezen, dat het merendeel van de dateringspogingen van het oorspronkelijke Van den vos Reynaerde, evenals die van het oorspronkelijke Reynaerts historie gebaseerd zijn op de overgeleverde teksten, die heel goed - in sommige gevallen zelfs duidelijk - actualisaties in zich kunnen bergen en zich aan het eind van een serie afschriften bevinden die ook allemaal verloren zijn gegaan. Bovendien lopen de meningen omtrent die ontstaansdata nogal uiteen, variërend van vóór 1191 tot eind 14e eeuw voor wat betreft Van den vos Reynaerde en van rond 1270 tot eind 14e eeuw voor wat betreft Reynaerts historie. Deze diffusiteit in opvattingen is te verklaren uit het feit, dat men zich baseren moet op afschriften van afschriften (van ...), die elk een eigen verhaal vertellen. Dat in B3745 bijvoorbeeld "Donre bussen ende bombaerden" voorkomen, zegt alleen iets over de tijd van ontstaan van dit handschrift en niets van het voorbeeld van B, dat we zeer waarschijnlijk niet hebben, en in ieder geval niets met zekerheid over de ontstaansdatum van Reynaerts historie, noch van die van de Reynaert in het algemeen.

   Bij het afschrijven van het verhaal, zullen onontkoombaar vergissingen en fouten gemaakt zijn. Ook bij bewerkingen zal dat het geval geweest zijn. Alleen al het simpele feit dat geen van de overgeleverde teksten of fragmenten voor 100% overeenkomt met een andere tekst of ander fragment, bewijst dat. Ook het feit dat overeenkomstige versregels in verschillende handschriften niet altijd op dezelfde hoogte in het verhaal staan, maar dat dan weer hs. A lijkt voor te lopen, dan weer F en dan weer B of een van de andere fragmenten, wijst erop, dat we niet een van de overgeleverde handschriften als het oorspronkelijke kunnen duiden. Dan kunnen we ons bij een poging de oorspronkelijke inhoud van "de" Reynaert te achterhalen nog slechts de vraag stellen, waar we vanuit dienen te gaan. Gaan we ervan uit, dat de meest geactualiseerde tekst het minst authentiek is, dan klopt dat op zich wel, maar evengoed schieten we er niets mee op, want deze tekst zou anderszins zeer wel grote overeenkomsten met het origineel kunnen vertonen; misschien wel meer dan de tekst die minder actualisaties te zien geeft. Gaan we er echter vanuit, dat de tekst die het meest consistent in elkaar steekt, de grootste authenticiteit te zien geeft, dan zou dat de waarheid wel eens dichter kunnen benaderen, al moeten we rekening houden met het optreden van kopiisten/bewerkers, die een corrupte tekst onder het afschrijven verbeteren. Ook over dit gesignaleerde probleem zal het laatste woord nog niet gezegd zijn. Het lijkt echter gerechtvaardigd, te stellen dat consistentie in het handschrift duidt op authenticiteit, tenzij duidelijk sprake is van een verbetering. Voor elk handschrift zal de weegschaal dan naar de ene of de andere kant doorslaan.

   Om het probleem niet nodeloos nog ingewikkelder te maken, hebben we ons hoofdzakelijk - behalve als het noodzakelijk of voor de hand liggend blijkt een vergelijking met een passage verderop in de tekst te maken - beperkt tot vergelijking van dat gedeelte van de overgeleverde handschriften dat inhoudelijk (min of meer) overeenkomt. Hetgeen betekent dat tot voorwerp van onderzoek gemaakt zijn: hs. A geheel, hs. F geheel, hs. B tot en met B3468 (plus wat in het verdere gedeelte hiermee  verband houdt en het einde ervan), evenals de fragmenten D, E en G. Doel van het onderzoek is: zoveel mogelijk argumenten vinden die een dateringsvolgorde steunen.

 

Vorig hoofdstuk: V Het bijgeloofsmotiefVolgend hoofdstuk: VI Samenvatting