Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

VI.2. Samenvatting 

Allereerst is er het probleem van de naam van de schrijver, die in alle overgeleverde prologen voorkomt. Het voorkomen van een en dezelfde naam zou mogelijk al wijzen op de langste als meest oorspronkelijke tekst. Immers: een uitsluitend ingekorte tekst is nog altijd door de oorspronkelijke auteur geconcipieerd, voor een bewerkte en uitgebreide tekst geldt dat veel minder en misschien wel helemaal niet meer.

   Een formeel inhoudelijke aspect waaraan aandacht moet worden besteed, is de beëindiging van het verhaal. In hs. A is wellicht een mooi afsluitend acrostichon te ontdekken ("BI WILLEME"), hs. B heeft aan het eind eveneens een verwijzing naar een verstopte auteursnaam. In ieder geval is de naam van kopiist/bewerker Claes van Aken te vinden, verder speurwerk zou wellicht ook (nogmaals) de naam "WILLEM" voor B of "WILLAM" voor C aan het licht kunnen brengen in B7650-7655, c.q. C7645-7650. Louter en alleen het (mogelijk) voorkomen van een acrostichon zegt in dit geval dus niets distinctiefs over de relatieve datering. Wel mag gesteld worden, dat Reynaerts historie een beter einde heeft dan Van den vos Reynaerde. In Reynaerts historie wordt het verhaal echt afgerond. Er is zelfs sprake van een "happy ending" en de lezer/toehoorder blijft aan het eind niet zitten met onbeantwoorde vragen. Men zou kunnen zeggen: alle motieflijnen zijn keurig afgewerkt.

   Behalve dat het eind van het verhaal, zoals beschreven in Reynaerts historie, geen onbevredigend gevoel achterlaat, zijn de motieven in het verhaal, die naar dat einde toe werken, in het met Van den vos Reynaerde vergelijkbare gedeelte van Reynaerts historie zorgvuldiger opgebouwd en daardoor consistenter. Reynaert kan in het eerste deel van Reynaerts historie stelliger wettelijk niets ten laste gelegd worden. Reynaerts afwezigheid aan het hof in het begin van het verhaal wordt in dit gedeelte begrijpelijker voorgesteld. Het dubbelzinnige karakter van de Reynaertfiguur en van de tekst in het algemeen worden er doelmatiger uitgewerkt en ook de relaties tussen de dieren onderling vertonen minder oneffenheden, terwijl ook anderszins de verschillende scènes in Reynaerts historie logischer op elkaar aansluiten.

 

Voor iedereen in en buiten het verhaal staat buiten kijf, dat Reynaert een schurk is. Maar Reynaert is zo'n doortrapte schurk, dat hij juridisch gezien vrijuit moet gaan. Dat ligt tenminste logischerwijze in de lijn der verwachtingen, want Reynaerts rol is voor de lezer/toehoorder die van "sympathieke" hoofdfiguur, die de anderen er sluw in laat lopen en zelf buiten schot blijft. Hij heeft Hersinde verkracht en haar kinderen bepist, hij heeft Cortoys een worst ontstolen en Cuwaert bijna vermoord in het begin en daadwerkelijk vermoord op het eind van de parallelle versies. Hij heeft Coppe en 10 andere kippen van het leven beroofd. Hij is er de oorzaak van dat Bruun en Tybeert mishandeld worden, en dat later Bellijn (plus "alle sheere belins maghe" (A3442 en B3448)) gedood wordt. Ysegrim heeft hij ettelijke keren laten mishandelen of anderszins schade berokkend. Samen met Ysegrim heeft hij zich schuldig gemaakt aan diefstallen en inbraken. Hij heeft een lam, twee geitjes en allerlei gevogelte gedood. En hij heeft zijn vaders schat gestolen.

   Maar met Hersinde had Reynaert reeds een jarenlange verhouding, wellicht zelfs door Hersinde geïnitieerd (B1682-1683) en later (B2857-2858) mag Ysegrim zijn ontrouwe echtgenote dan ook haar gerechte straf laten ondergaan. Die bepiste kinderen kunnen in deze situatie best van Reynaert zelf zijn (B249-253 en B2146). Als hij Cuwaert bijna vermoordt, is die een leerling van Reynaert en Cortoys is zelf een worstendief en mag blij zijn dat hij er nog zo goed vanaf gekomen is (B279-281). Datzelfde geldt voor Bruun, wiens vraatzucht hem nekt (B1846 en D1846), voor Tybeert, die ondanks Reynaerts waarschuwingen (B1208) inbreekt hij de pape en voor Ysegrim, die zich telkens laat vangen, terwijl Reynaert buiten staat en benadeeld wordt als het gaat om de verdeling van de buit. Voor deze inbraken en diefstallen wordt overigens geen klacht geformuleerd. Ook over het lam, de geitjes en de vogels die Reynaert verschalkt heeft, wordt niet geklaagd en ook voor deze misdaden kan Reynaert derhalve niet ter rechtszitting veroordeeld worden. Wie wel klaagt, is de haan Cantecleer. Maar wellicht spreekt ook hij voor zijn beurt, want de analfabetische haan staat volgens B486-493 - en waarom zou de verteller Reynaerts juridische onschuld overal behalve hier volhouden? Nobels beschuldiging van de vos van de moord op Coppe blijft in alle versies (A1796-1819, F1784-1807, B1814-1837 en D1814-1837 (corrupt)) achterwege; sterker nog: Cantecleer wordt de mond gesnoerd als hij erover wil beginnen - mogelijk als incestpleger te kijk. Bellijn is zo aardig de schuld van Cuwaerts dood op zich te nemen en is daarmee zelf schuldig aan zijn eigen (onterechte) straf, alsmede aan de bestraffing van zijn nageslacht (A3442-3443 en B3448-3449). Al moeten we hierin wel degelijk een wraakactie van Reynaert zien (B3301), aan het hof staat men machteloos (B3407-3416). Het gegeven is voorts te zien als een vooruitlopen op zijn latere plan (in B) de schat via Bellijn te laten verdwijnen. Die schat blijkt altijd al aan Nobel toebehoord te hebben (A2239-2241 en B2260-2262), dus ook hier kan niet echt van een diefstal gesproken worden, aangezien Reynaerts vader hem zich dan onrechtmatig toegeëigend moet hebben. Buitendien is het nog maar de vraag of het bestelen van je eigen familieleden als een vergrijp gezien moet worden in de middeleeuwse rechtspraak.

   Reynaert kan niets ten laste gelegd worden en uiteindelijk wordt hem dan ook vrijspraak verleend (B2770-2774). Hij heeft zo weinig te vrezen, dat hij geen reden ziet de situaties in de verschillende biechten (B1503-1504, B1841-1843, B1507, B1538 en D1538, B1648-1649) rooskleuriger voor te stellen dan ze zijn. De enige zonde, die hij begaan heeft, is te vinden in het voorstel aan Ysegrim om het klooster te verlaten. Alleen daar zou hij een pelgrimstocht voor moeten ondernemen (B2796-2797). Hij doet dat niet, want "bedwongen ede en duden niet" (B3209) en in hs. B vlucht hij ook al niet. Waarom zou hij? Hij kan natuurlijk niet vermoeden, dat men hem buiten het recht om zal willen lynchen (B3433-3434). Alle dieren, ook Nobel, willen het recht namelijk in eigen hand nemen om zich te wreken op deze sluwe vos, die de gerechtelijke dans telkenmale ontspringt.

 

Kan Reynaert niets ten laste gelegd worden, toch verschijnt hij in eerste instantie niet op de hofdag. Hij weet namelijk heel goed, dat hij door al zijn streken geen graag geziene figuur is (B1787) en ook Nobel heeft nog een appeltje met hem te schillen. Slechts de eveneens - een familietrek - geslepen Grimbeert (B1391-1397 en B1404-1410) kan hem bewegen voor de koning te verschijnen.

   Een andere reden voor Reynaerts aanvankelijke ontbreken aan het hof kan gezocht worden in zijn gezinssituatie. Volgens B1377-1381 en B3089 is Hermeline wellicht nog zwak van een bevalling. Wellicht is in dit prille ouderschap ook de reden te vinden, dat Reynaert wel eerder op een vluchtplan gebroed heeft (B1436-1442), maar daar voorlopig vanaf gezien heeft. Als hij terugkomt van het hof, is Hermeline al weer behoorlijk opgekrabbeld. Reynaert moet er dan ook rekening mee houden, dat Nobel Cuwaert of Hermeline ertoe zal willen dwingen met hem naar Kriekeputte te gaan en dus onthoofdt hij Cuwaert en tracht hij Hermeline een verhaal op de mouw te spelden, wat zij echter meteen doorziet (B3135-3147). Reynaert durft het dan inmiddels wel aan, haar het vluchtplan voor te leggen, maar zij praat het hem snel uit het hoofd (B3184-3200). Reynaert laat Bellijn vervolgens Cuwaerts kop naar het hof brengen om duidelijkheid te scheppen (B3221), dan wel hem de schuld te kunnen geven van de verdwenen schat.

   Tot zover de meest logische verhaallijnen. Uit de regelaanduidingen blijkt, dat meestal de toevlucht tot hs. B (en dus tot Reynaerts historie) genomen moet worden om het verloop die logica te geven, waarin alle gebeurtenissen gemotiveerd zijn.

 

De humor van de Reynaerttekst kan veelal gezocht worden in de dubbelzinnigheden, die in de tekst voorkomen. Buiten dat situaties een dubbelzinnige betekenis hebben, wordt ook het taalgebruik daartoe aangewend. Reynaert waarschuwt veel van zijn opponenten, doch vaak zonder dat ze zich dat realiseren (B716-718, B760, B666-667, B685-686, B1134, B1208, B1176, B3270, B3291-3292 en B3304-3306). Het schatverhaal, dat Reynaert ten overstaan van Nobel ophangt, staat zo bol van de dubbelzinnigheden (B2535-2538, A2412, F2375 en B2435, B2565-2566, B2583-2588, B2599, F2527 en B2626, A2614-2616, F2577-2579 en E7577-2579 en B2651-2654), dat de lezer/toehoorder bijna medelijden met de goedgelovige koning krijgt. Ten aanzien van Bruun groeit het dubbelzinnig gebruik van de woorden "honich" en "raet" zelfs uit tot een Leitmotiv (B513, A488, F474 en B516, A491, F477 en B519, A501, F487 en B526, A543 en F529, A548 en F534, A567-568, F553-554 en B622-623, F570 en B637, A589, F575 en B642, A598-599, F584-585 en B649-650, A603 en B654, A610, F596 en B661, A616-618, F603-604, B685-686, A661, F647 en B712). In dit "hoon/raetmotief" figureert vooral Reynaert ten opzichte van Bruun. Niet alleen ontbreekt in hs. B de passage, waarin gezegd wordt dat Bruun goede raad gegeven heeft - "raet" en hoon worden vooral door Reynaert verstrekt -, zelfs zegt Bruun in F570 en B637 dat hij hoopt dat Reynaert hem honing zal kunnen geven, zoals hij wel vaker het onheil over zichzelf afroept. Als Bruun in de boom vast zit, vraagt Reynaert hem of de honing hem bevalt (B758) en als hij hem later bij de rivier treft, informeert hij nog eens naar de honing, in B965. Ook Tybeert (B1123-1124) en Bellijn (F3264-3270 en B3316-3325) krijgen het op eenzelfde wijze - zij het minder uitgesponnen tot motief - te verduren.

   Een andere manier om de waarheid niet te duidelijk tot uiting te laten komen, vinden we in de door Reynaert toegepaste versluiering waar hem dat zo uitkomt. In B2122-2128 brengt hij zeer onduidelijk het "tellen" van de zogenaamde "maesscap" tussen hem en Ysegrim naar voor. Uiteindelijk komt het er hier op neer, dat Ysegrim hiertoe de actie ondernomen heeft, wat in strijd is met Reynaerts eerdere uitspraak. Die onduidelijkheid is hier echter uiterst doelmatig. Bij het ontvouwen van het moordplan op de koning werkt de versluiering (B2303-2324) oncontroleerbaarheid en tegelijkertijd geloofwaardigheid in de hand.

   Ook de verteller zelf leren we kennen als iemand die de lezer/toehoorder telkens tekens geeft (B42-44, A73 en F73, B683, A1977-1984 en F1969-1975, B3328, A2568-2569 en B2591-2592, B2979-2980), dat hij op moet letten, dat er iets aan de hand is. De persoonsbeschrijvingen (A785-804, F771-790 en B818-847, A1848 en F1838) en plaatsnamen komen voor rekening van de verteller en werken eveneens humoristisch voor wie daar oog (en oor) voor heeft.

 

Een van de belangrijkste relaties in het verhaal is die van Reynaert met Nobel. Is Reynaerts verhouding tot de koning aanvankelijk slecht, omdat hij hem "scand" (B1513-1514 en D1513-1514) gedaan heeft - Nobel is boos op Reynaert (B2045-2049) en hij probeert hem erbij te lappen (A1820-1846, F1808-1835, B1838-1867 en D1838-1867 en B1909-1913) -, als hij ziet dat Grimbeert met een aanzienlijk gevolg het hof verlaat, gooit Nobel het over een andere boeg (hs. B). Reynaert krijgt de gelegenheid ervoor te zorgen dat zijn aartsvijanden uit de buurt zijn (hss. F en B) en begint de koning vervolgens met zijn schatverhaal te lijmen (B2165-2168 en F2302-2304 en B2361-2363), zodat die om stilte maant (A2187-2188, F2169-2170 en vooral B2204-2205), waarop Reynaert praktisch vrij spel krijgt. Als Nobel de schat dan binnen bereik ziet, maakt Reynaert hem duidelijk dat daar iets tegenover moet staan (B2508-2509 en A2496-2499 en B2517-2522). Nobel wil daar eigenlijk niet aan beginnen (B2540-2542), maar de koningin weet hem te overtuigen en uiteindelijk stemt ook hij toe in Reynaerts invrijheidstelling (B2553-2558), waarna Reynaert meteen duidelijk maakt, dat híj nu de normen stelt (B2913-2917).

   Een cruciale rol in deze scène is weggelegd voor de koningin. Aanvankelijk, (B1514-1516 en D1514-1516), was zij - samen met Nobel - het meest te vrezen; na Reynaerts coupverhaal, is zij echter geheel op Reynaerts hand (B2169-2170, A2152, B2177-2180) en vervolgens laat ze zich door Reynaert paaien (A2209-2213 en B2229-2232, B2517-2519 en F2459-2461) en belooft zij hem vrijspraak (hs. B). Reynaert mag haar dan ook wel zeer dankbaar zijn (B2764-2765).

   In die ontwikkeling van aangeklaagde tot aanklager gaat Reynaert nogal voortvarend tekeer. Hij beticht de andere dieren van het uiten van leugens (B1798 en D1798) en noemt hen met namen die normaal gesproken voor hemzelf gereserveerd zijn (A1789, F1771, B1801 en D1801 en B1971 en B2476). Vooral Ysegrim komt als een bedrieger uit de bus en het is aan hem te wijten, dat Reynaert nu ook nog in 's paus ban is gedaan (B2731). Reynaert gaat daarna nog een stapje verder en wordt van aanklager zelfs nog rechter en hij bepaalt hoe Bruun, Ysegrim en Hersinde - Tybeert ontbreekt helaas - te zijner nutte gestraft worden.

   Die overgang van afhankelijke tot overheersende partij is niet alleen in situaties kenbaar gemaakt, maar evengoed weer in taal. Dat is goed te zien in de aanspreekvormen, die de dieren ten aanzien van elkaar bezigen. Het hele verhaal door wordt de hiërarchie weerspiegeld in die aanspreekvormen, die ofwel een vleifunctie vervullen, dan wel een machtsverhouding oproepen en/of bestendigen. Dit spel met de aanspreekvormen is in hs. B het meest consequent doorgevoerd.

 

Ook voor het overige kan gesteld worden, dat Reynaerts historie beter, want logischer, in elkaar steekt dan Van den vos Reynaerde. Zo heeft hs. B412-413 de juiste gebedsvolgorde en  

-terminologie en ook verder sluiten passages beter bij elkaar aan (B525-526, F625 en B688, B719, B737, B761-763, B1035, B1046-1047, F1266 en B1297, B1299, B1321, B1349, B1363-1365, B1580-1588 en D1580-1588, B1595, B1586-1587, B1602-1617, B1596-1597, B1864, A1835-1836, F1825-1826, B1857-1858 en D1857-1858, B1911, B1896-1907, B1971, B1875-1876, B1932, A1924 en B1953, B2239-2240, B2316-2320, B2340, B2410-2417, F2302-2304 en B2361-2363, B2446-2448, B2465, A2497-2498 en B2518-2519, A2578 en B2601, B2643-2648, F2616 en B2664, B2715-2720, B2249, A2417 en B2438, A2500 en B2523, A2346 en B2373, A2877 en B2871, F2827 en B2855, F3006 en E3006, A3060 en B3060, B3056, F3041, B3075 en E3041, B3298, A3055, B3055 en E3021, B3012-3014, B3095-3097, B3099, B3175-3178, B3121-3123, B3307-3312, F3264-3270 en B3316-3322, B3217-3221 en B3458) in Reynaerts historie.

   Gebeurtenissen in het verhaal worden beter en vaker gemotiveerd B587-589, B614-618, B746-747, B1244, B1963, A1906 en B1935, B2079-2082, B2212-2215, B2508-2509, B2643-2654, B3131-3132, B3148-3174, B3337-3339, B3371 en B3428-3429) in Reynaerts historie.

   Ook in de zogenaamde incidentele motieflijnen vertoont Reynaerts historie de meeste consistentie (B675-680, B683, B1110 en F1075, B1363-1365, B2018-2019, B2056-2059, B1208-1210, B2004-2007, B2199, B2731, A2222 en B2243, B2711-2714 en E2665-2668, B2283-2290, B1048-1056, B3089-3090 (regressief); B1463, B2018-2019, B2006-2007, B3001, B3087-3088 en B3221 (anticiperend).

   Datzelfde geldt voor de verhaalmotieven. In het "dievenmotief" wordt vooral in hs. B (B798, B888, B960-964, B971-972, B987-989, B1014-1018) benadrukt, dat Bruun zijn gerechte straf van dief gekregen heeft. Ook ten aanzien van Tybeert wordt dat gedaan in hs. B (B1208, B1343, B1976-1977).

   Binnen het "eetmotief" krijgt hs. B1134-1138 de voorkeur, omdat de passage, waarin Reynaert ingedaagd wordt door Tybeert juist die dubbelzinnigheid bevat, waardoor ze een waarschuwender karakter krijgt. In de door Reynaert gebezigde dubbelzinnigheid wordt verwezen naar de fatale afloop van de vorige indaging, even voordat Reynaert "zijn" honing opnieuw gaat aanprijzen.

   Het "corruptiemotief" krijgt eveneens vooral in hs. B gestalte. Zo blijkt Bruun in B635-637, A582-584 en F568-570 gevoelig voor wat Reynaert hem (uitsluitend) in B601-602 als doel van zijn vleierij aangeeft. En als Reynaert na zijn grote openbare biecht de koningin aan zijn zijde weet, somt hij een aantal eisen op, waaraan voldaan moet worden alvorens hij de schat wil wijzen (B2529-2539). Zelf stelt hij daar niets expliciet tegenover.

   Het "clanmotief" komt bijzonder goed tot uiting in onder andere B287-289, waar Grimbeert exact dezelfde strategie gebruikt als die Reynaert later zal toepassen. Ook de zelfmoord van Reynaerts vader heeft in B2499-2500 meer indruk op Reynaert gemaakt dan in de andere versies. Het clanmotief wordt in het vervolg van hs. B nog verder uitgewerkt.

     Het "bijgeloofsmotief" is al even algemeen als het "clanmotief" in de Middelnederlandse literatuur, zoniet algemener. Desalniettemin zijn ook hiervan enkele passages in de Reynaert te vinden die bij vergelijking tussen de versies de voorkeur verdienen. Zo is B813-814 meer toegesneden op de situatie, waarin Bruun zijn in A490-491, F476-477 en B518-519 over zichzelf afgeroepen pak slaag kreeg. Nobel is in B1021-1024 dan ook voorzichtiger en stuurt Tybeert even later naar Reynaert. Die verspreekt zich (bijna?) in B1123-1124 en laat zich als heksenkater kennen, wat nog meer voeding krijgt door de vermelding van een klooster van "zwarte nonnen" (A1696 en B1716) in de buurt. Reynaert wil dan ook niet in de avond met Tybeert langs de wegen trekken (F1081, A1094 en B1112), Tybeert op zijn beurt wil in B1932-1935 voor de avond van Reynaert af zijn. En de eerste die dan reageert is Ysegrim (B1944-1945), die daarmee op z'n minst de verdenking van weerwolverij op zich laadt. Als de tijd zo blijkt te dringen, zouden ze dan kostbare tijd verliezen door Reynaert bij Nobel en de koningin achter te laten om eerst de galg in orde te maken, vervolgens Reynaert en het gehele hof ophalen om de vos daarna dan pas aan de galg te hangen?! Ysegrim zou overigens een duivelse naam kunnen zijn volgens B2723-2724. Deze ontsnapt ook nog eens in een nacht (B1617) aan zijn belagers die hem voor dood hadden achtergelaten.

 

Vorig hoofdstuk: DEEL VI: CONCLUSIEVolgend hoofdstuk: VI Conclusie