Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

I.1.1. Reynaerts "misdaden"

Eerst zullen we eens zien wat Reynaert allemaal op zijn kerfstok heeft en of hem dat allemaal ook aangerekend kan en mag worden. We volgen daarvoor het verhaal - dat door middel van de drie handschriften dus drie verschijningsvormen heeft - zoals het aan ons gepresenteerd wordt.

 

Het eigenlijke verhaal begint op een pinksterdag91, waarop

     Alle die diere groet ende cleene

     Sonder vos reynaert alleene (A49-50, F49-50 en B59-60)92

aan het hof van koning Nobel verzameld zijn. Al gauw wordt er door de aanwezige dieren over Reynaert geklaagd93. Slechts

     grinbert die das

     Die reynaerts broeder sone was (A177-178, F173-174 en B185-186)

neemt het voor Reynaert op.

   Als eerste komt Ysegrim naar voor om een klacht te formuleren94. Zijn enige expliciete klacht in dit stadium van het verhaal is:

     Dat hi mijn wijf heuet verhoert

     Ende mine kindre so mesvoert

     Dat hise beseekede daer si laghen

     Datter twee noint ne saghen

Ende si worden staer blent (A73-77, F73-77 en B83-87, al wordt het in hs. B ernstiger voorgesteld, omdat daar alle kinderen blind geworden zouden zijn95)96.

   Vervolgens staat Cortoys op om zich te beklagen over een worst die Reynaert hem afhandig zou hebben gemaakt, doch deze klacht wordt door Tybeert de kater al snel ontkracht door de mededeling, dat Cortoys die worst zelf had gestolen van Tybeert, die hem op zijn beurt van een molenaar stal (A107-125, F106-121 en B116-133).97

   Dan neemt Pancer de bever het woord om te vertellen hoe hij de dag tevoren gezien heeft hoe Reynaert de haas Cuwaert bijna vermoordde (A126-169, F122-165 en B134-177).98

   Grimbeerts repliek is niet mis. Waar Ysegrim vaag blijft over Reynaerts misdaden jegens hem, weet Grimbeert nog wat voorbeelden waaruit blijkt, dat de wolf juist Reynaert benadeeld heeft (A208-232, F198-220 en B212-238) en voor wat betreft de ontering of misleiding99 weet Grimbeert te vertellen dat Hersinde evenveel van Reynaert houdt als hij van haar en dat hun verhouding al zeven jaar duurt (A235-246, F223-234 en B241-254). In die zeven jaar zouden dan best kinderen geboren kunnen zijn, van wie Reynaert dan misschien wel de vader is, waarmee hij zijn eigen kinderen in A74-75, F74-75 en B84-85 "beseekede"100. Deze veronderstelling krijgt extra grond, als Grimbeert in hs. B249-253 zegt:

     Wats dan sy was te vreden ende cort genesen

     Wat clage soude dair off wesen

     Wair ysegrim hier hi souds ontberen

     Hy doet hem selue luttel eren

     Dat hi sijn wijff aldus bedraecht,

waarbij "genesen" als betekenis kan hebben: "bevallen"101, dan wel "bevredigd worden"102 en "bedraecht" volgens het WNT "met iets overdekken" kan betekenen103. Ook in de Roman de Renart, branche II, vss. 1121-1150, vindt bovengenoemde veronderstelling steun, waar Reynaert Hersinde's jongen bepist en bastaarden van een ontrouwe moeder noemt104. En wat een vader met zijn eigen kinderen doet, mag hij toch zeker zelf weten105! Daar kan hij juridisch moeilijk voor aangeklaagd worden. Iets dergelijks deelt Grimbeert ook ten aanzien van de moordpoging op Cuwaert mee. Reynaert staat volledig in zijn recht als hij zijn leerling - Reynaert zou Cuwaert het credo leren - afranselt (A250-252, F238-240 en B258-260). En ook Cortoys moet niet zeuren: hij is zelf een dief, die zich erover beklaagt bestolen te zijn (A253-256, F241-244 en B264-268)106. In de versie van hs. B mag Cortoys zelfs nog blij zijn:

     Al had hi al cortoys gehangen

     Doe hi hem myt diefte had beuangen

     Hi en had daer niet veel aen mysdaen (B279-281).

Dat Reynaert dat niet gedaan heeft, is "den coninck teren" (B284).

   Het lijkt me niet onbelangrijk, dat het motief van de bestrafte dader als structuurelement in het begin van het verhaal reeds aan de orde gesteld wordt, zoals in hs. B het geval is (in de hss. A en F wordt slechts het gegeven van de ontstolen buit in de opsomming van Grimbeert verwerkt, die daardoor alleen maar aan lijkt te willen tonen, dat Reynaert niet alles in de schoenen geschoven kan worden).

   Grimbeert vervolgt zijn pleidooi in B287-289 met:

     Reynaert is een gerechtich man

     Die geen onrecht gedogen en kan

     Ende dair om haet hi die quade.

Met precies diezelfde omkering zal Reynaert later zichzelf pogen vrij te pleiten107: de anderen zijn de slechten en Reynaert is er slechts op uit hun misdaden te bestraffen of te verijdelen108. Ook overigens gaat Grimbeert in zijn pleidooi precies zo te werk als Reynaert later bij zijn openbare biecht zal doen: volgens het genus iudiciale en de ars rhetorica109.

   Maar dan verschijnt Cantecleer ten tonele en met hem Cantaert (volgens B323: "cantecleer"), Crayant (volgens B327: "craeyaert"), Pinte en Sproete. Ze brengen het dode lichaam van Coppe met zich mee. Volgens F281-282 en B321-322 lopen er aan weerszijden van de baar twee hanen, waarmee ook de niet expliciet genoemde geslachten van Pinte en Sproete gegeven zijn. Volgens hs. A293-294 loopt er aan elke kant van de baar één haan: Cantaert en Crayant. Verderop staat echter: "Pinte ende sproete droughen die bare" (A309, F297 en B337). Verder spreekt Cantecleer in A320 over zijn kinderen als over "mine sustren". We moeten aannemen dat de kopiist van hs. A hier een fout gemaakt heeft110. Deze tussenkomst met een corpus delicti en het verslag van het gebeurde dat Cantecleer geeft, waarin verscheidene zaken overeenkomen met Grimbeerts eerdere woorden (dat Reynaert een kluizenaar geworden was (A369, F356 en B397) en "een scerpe haer" droeg (A374, F362 en B401)), wordt door de dieren aangegrepen om Reynaert naar het hof te laten ontbieden111.


De eerste die Reynaert indaagt, is Bruun de beer. Zwetend komt hij aan bij Mapertuus112. De straf die Bruun hem in A531 en F517 in het vooruitzicht stelt, "breken ende raden", stond inderdaad op moord113. Echter, in B554 wordt Reynaert voorgespiegeld: "men sel v hangen ende setten op een rat". Betrekt Bruun er hier ook de straf voor de diefstal van de worst meteen bij114? Reynaert die aanvankelijk voorgeeft ziek te zijn van het eten115 lukt het hem mee te lokken naar een plaats waar veel honing te vinden zou zijn. Als ze bij de boom aangekomen zijn, waarin zich die honing zou moeten bevinden, zegt Reynaert hem in de hss. A666-667 en F652-653:

     Hetet te zeden ende te maten

     Dat ghi hu seluen niet verderuet,

en hs. B717-718 heeft:

     Neemter vmmer niet bouen maten

     So dattet uwen liue yet deert,

wat ongeveer op hetzelfde neerkomt116. Bruun is echter toch gulzig en wordt als gevolg daarvan door de dorpelingen gruwelijk mishandeld. Maar híj wilde dan ook honing gaan stelen117 en Reynaert kan daar vanzelfsprekend niet aansprakelijk voor gesteld worden118. Hijzelf is daar blijkens B929-930, A906-907 en F890-891 zo van overtuigd, dat hij kan zeggen:

     Nochtant waen ic des sonder clage

     Ende sonder wan gunsten bliuen,

maar hij was dan ook niet over één nacht ijs gegaan, zoals moge blijken uit:

     Mennich pensen hooch ende diep

     Docht nv reynert hoe hi den beer

Dien myt woorden ouerliep so zeer

     Alre best tot spotte dreue

     Ende selue in die eer bleue (B579-583, A542-546 en F528-532).

Reynaert heeft later zelfs een argument waarmee hij wil bewijzen dat Bruun zélf schuld aan zijn mishandeling is, al verschilt dat argument in de verschillende versies. In hs. A1824 luidt het namelijk:

     Waer hi goet hi ware ghewroken,

in hs. F1814 echter:

     Ware hi vroet hi had gewroken,

en in hs. B1846 en het corrupte D1846 luidt het:

     Wair hi goet hi had gewroken.

Volgens de versie van hs. A zou Bruun gewroken zijn als hij "goet" geweest was, maar door wie dat gebeurd zou moeten zijn, blijft duister. Er waren immers geen andere dieren dan Reynaert aanwezig op het moment van Bruuns aframmeling! In de versie van hs. F wordt Bruuns wijsheid in twijfel getrokken. Op zich misschien terecht, maar dat heeft er in de gegeven situatie bitter weinig mee te maken; het argument wordt aangevoerd om te laten zien dat Bruun niet in zijn recht staat! Hier is de versie van hs. B de meest zinvolle. Als Bruun "goet" (= een man van eer) zou zijn geweest, dan zou hij zichzelf hebben kunnen wreken. "Maar Bruun is blind door zijn vraatzucht [...] Bruun is dus schuldig aan zijn eigen ondergang"119!


Nadat Bruun onverrichterzake teruggekeerd is, is de beurt aan Tybeert om Reynaert in te dagen. Hem vertelt Reynaert een schuur te weten bij het huis van de "pape", waar veel muizen zitten120. Daar aangekomen, talmt de kater blijkbaar, want Reynaert zegt in hs. F1174 en B1207:

     Tibert hoe coemt dat gi spaert

en hs. A1186 heeft hier:

     Tybeert siet dat ghi niet en spaert.

De vervolgzinnen in deze scène van A en F enerzijds en B anderzijds lopen echter zeer uiteen. De hss. A1187 en F1175 hebben hier:

     Gaet heten ende laet ons keeren,

waarmee Tybeert door Reynaert onder andere nog eens aangespoord wordt te gaan eten, terwijl hs. B1208 verder gaat met:

     Coomt des off ende laet ons keren,

wat hier op tweeërlei wijze uitgelegd kan worden. Het kan zijn, dat Reynaert Tybeert zegt niet langer te talmen (het woord "des" slaat dan op "dat gi spaert"121); Het kan echter ook op de hele situatie slaan waarin ze op dat moment verkeren en in dat geval bedoelt Reynaert dat Tybeert het hele plan maar moet vergeten. Hoe het zij, in beide gevallen (in het tweede sterker dan in het eerste) spoort Reynaert Tybeert aan niet verder te gaan stelen. Wat er gebeurt als deze daarna toch de schuur ingaat, komt daardoor geheel en al op conto van Tybeert zelf. Later, in A1828-l832, F1818-1822, B1850-1854 en D1850-1854 (corrupt), roept Reynaert dan ook uit:

     Of hi hute om stelen ghinc

     Tes papen sonder minen raet

     Ende hem die pape dede quaet

     Bi gode soudic dat ontghelden

     So mochtic mijn gheluc wel scelden.

Lulofs zegt hierover: "Wat Reynaert hier vraagt is de strikte toepassing van het recht, en dat zou wel de kern van het verhaal kunnen zijn. Immers juridisch zijn de klagers zelf schuldig en moreel ook. Men wil dat wreken op de persoon die ze zo ver gekregen heeft, maar dat is een afschuiven van de eigen schuld. [...] Reynaert heeft waarschijnlijk het officiële recht aan zijn zijde, ook al is hij moreel schuldig, want dat is naar mijn mening de paradoxale situatie."122 Maar Reynaerts bovengeciteerde verdediging gaat alleen voor 100% op als hs. B aangehouden wordt: A1187 en F1175 laten wel degelijk een aansporing van Reynaert zien om te gaan eten. Heeft Reynaert eerder Bruun gewaarschuwd niet te veel te nemen, hier zegt hij Tybeert, in hs. B tenminste, er maar helemaal vanaf te zien. Beide slaan deze raad in de wind en moeten het bekopen.

   Als Tybeert dan in de strik vastzit, roept de zoon van de "pape", Martinet, dat hij de "hoenre dief" (A1231, F1217 en B1252) heeft gevangen, waarna het mishandelen van Tybeert (en de "pape") een aanvang kan nemen, waarna onmiddellijk reminiscenties opgeroepen worden aan de scène met Bruun in de tuin van Lantfreit123: Bruun wordt immers gebrandmerkt als dief doordat zijn oren gecoupeerd worden124. En net zoals Reynaert verantwoordelijk gesteld mag worden voor de 'berechting' van Bruun (hij zorgt er voor dat Bruun zijn oren verliest), mag dat gedaan worden in Tybeerts geval, die een oog verspeelt125. Het verlies van dat oog wordt in elk van de drie compleet overgeleverde handschriften vermeld, maar alleen in hs. B1343 lezen we: "Dat tybart berecht quam also", waardoor dit gegeven extra nadruk krijgt126.

   Aan het hof schijnt men inmiddels van Reynaerts schuld in dit alles overtuigd te zijn, want:

     Den coninc dreeghen den dief reynaert,

staat er in A1327, F1315 en B1345, overigens zonder dat er enig bewijs van welk misdrijf dan ook geleverd is127. Reynaert is hier dus blijkbaar al in staat van beschuldiging gesteld en het vervolg in hs. B1349: "Dat men reynaert ten rechte brochte" sluit daar logischerwijs beter op aan dan het halfslachtige:

     Hoemen reynaert ter redenen brochte (A1333 en F1321).

Als de opzet zou zijn Reynaert naar het hof te halen om zich te verweren, zou men hem immers niet op voorhand een "dief" noemen.


Grimbeert is de derde die Reynaert naar het hof moet zien te krijgen. Tegen hem onthult Reynaert onderweg zijn “misstappen”, waaronder de recente t.a.v. Bruun en Tybeert. Reynaert zegt daarover:

     Jc dede minen oem brune

     Al bloedich maken sine crune

     Tybeert dede ic muse vaen

     Daer ickene zeerde dede slaen (A1463, F1453)128.

   Voor wat betreft de "misdaden" jegens Cantecleer en zijn kinderen begaan, is er geen significant verschil tussen wat Reynaert in de verschillende handschriften daarover tegen Grimbeert zegt. Dikwijls ontfutselde Reynaert hem een of meerdere van zijn kinderen en "Mit recht claecht hi ouer die voss" (B1512, A1472 en F1462).

     In hs. A1473-1474 vertelt Reynaert, dat hij Nobel "toren" gedaan heeft, in F1463-1464 zou hij hem "laster" gedaan hebben, terwijl dat in B1513-1514 met het begrip "scand" uitgedrukt wordt. In alle versies wordt de koningin er ook bij betrokken en in B1516, F1466 en D1516 wordt van haar expliciet gezegd: "Dat sy spaede sel verwynnen", in F1467 gevolgd door het ironische: "Also vele eren van mi". In de versie van A1476 is de koning hier blijkbaar ook in betrokken: zij beiden zullen die eer niet snel te boven komen, terwijl in B1517 en D1517 zowel de koning als de koningin "gescandaliseert" zijn. Wat Reynaert precies ten aanzien van koning en koningin op zijn kerfstok heeft, wordt helaas niet echt duidelijk. Wel weten we dat hij de gevoelens van de koningin verkeerd inschat, want later zal blijken, dat Reynaert vooral op haar steun en voorspraak kan rekenen129. Overigens is dit het enige vergrijp in Reynaerts biecht dat in bedekte termen verteld wordt en waar Grimbeert geen uitsluitsel over vraagt, zoals hij wel doet ten aanzien van de vage termen waarmee Reynaert zijn verhouding met Hersinde aanstipt. Ook daar is sprake van "scande" in B1670 en volgens Ysegrim zelf is zij "gescandeleert" (B6727, B7331 en C7324). Zouden er, behalve deze formeel-talige overeenkomsten, ook inhoudelijke overeenkomsten zijn? Het blijft natuurlijk gissen, maar volgens Verdams Middelnederlandsch handwoordenboek kan "schandaliseren" zowel "verleiden" als "onteren" betekenen en wat het in het geval van Hersinde betekent, is duidelijk want in B7331 en C7324 wordt die relatie ook gelegd. Daar zouden de versies B1515-1517 en D1515-1517 dan perfect op aansluiten, want hierin lijkt het alsof de koning door wat Reynaert de koningin aangedaan heeft, te schande gezet wordt130. Wellicht moeten we dan denken aan een allusie op het Franse Le siège de Maupertuis (branche 1a van de Roman de Renart, die na het uiteindelijk aangekondigde beleg uit het slot van Van den Vos Reynaerde lijkt te spelen, maar in de compilatie voor Le Plaid geplaatst is en met welk verhaal de lezers/luisteraars bekend zullen zijn geweest131), waarin verteld wordt dat er na een zes maanden durend beleg rond Mapertuus op zekere avond een echtelijke ruzie ontstaat tussen Noble en zijn gemalin. "De keizerin gaat alleen slapen, want ze is kwaad. Die nacht sluipt Renart uit zijn burcht het vijandelijke kamp in en bindt er alle vredig slapende dieren met hun poten en staarten aan elkaar of aan de bomen vast. Koning Noble knoopt hij met zijn staart stevig vast aan de eik waaronder hij ligt te slapen en dan legt hij zich voorzichtig tussen de benen van de koningin. Zij laat de vos rustig begaan, want zij denkt dat het haar leeuw is die de ruzie komt bijleggen, maar vliegt plotseling overeind wanneer Renart klaarkomt.132 [...] Van een losgeld wil deze nu niets meer weten. Nee, de galg zal het worden, want de koningin verkrachten gaat Noble net iets te ver! [...] Rillend over haar hele lichaam en klam van smart is de onvolprezen deugdzame en energieke leeuwin inmiddels uit haar kamer gekomen, zeer bezorgd om de schande die Renart haar heeft aangedaan. Zij maakt zich felle verwijten over de ring die zij (in branche 1) als liefdespand aan Renart geschonken heeft en die haar ongetwijfeld nog verder in opspraak zal brengen, maar van deze bezorgdheid laat zij voorlopig hoegenaamd niets merken. Met kleine pasjes loopt zij op Grimbert toe en stopt hem een talisman in de hand; hij moet die ongemerkt, met haar groeten, aan Renart geven om hem van de dood te redden, want hij is zo'n verfijnd man dat zijn lot haar zeer ter harte gaat"133.

   Ook vertelt Reynaert hoe hij Ysegrim in het "lant van vermendoys" te pakken genomen heeft (A1508-1605, F1498-1595, B1545-1618 en gedeeltelijk D1545-1588). Daar liet hij Ysegrim in een gat van een "spijker" kruipen, waarin veel vlees lag, waaraan Reynaert zich reeds eerder te goed gedaan had. Ysegrim eet zich echter zo rond, dat hij te dik wordt om door het gat terug te kruipen. Reynaert verraadt hem dan door de "pape", eigenaar van de schuur, daarnaartoe te lokken door een hoen van 's mans bord te pakken en hem achter zich aan te laten rennen. In de hss. A1554-1563 en F1544-1553 laat Reynaert het hoen bij de gevangen Ysegrim vallen en gaat zijns weegs. In hs. B1589-1595 laat hij het hoen vallen en gaat:

     Doort gat. dat ic wesen woude (B1595),

waarbij "wesen" waarschijnlijk "wijsen" heeft moeten zijn, wat door geen van de andere kopiisten begrepen is, want zowel de kopiist van A als die van F heeft hier:

     Daer ic wesen woude (F1553 en A1563),

evenals de kopiisten van de prozateksten P1147-1148 en Pd1147-1148, die Reynaert wel door het gat naar binnen laten gaan. Zij hebben:

     ende liep voert hene doer een gat daer ic in wesen woude.

Ysegrim wordt in alle versies ontdekt, uit zijn benarde positie bevrijd en vervolgens verschrikkelijk afgetuigd. En terecht, want hij was - weliswaar op aanraden van Reynaert - een dief in de "spijker" van de "pape".

   Reynaert vertelt dan verder over Ysegrims vrouw Hersinde, met wie hij iets uitgehaald zou hebben (A1650-1655, F1640-1644 en B1666-1671). Grimbeert begrijpt niet meteen waarop Reynaert doelt, waarop die hem onomwonden zegt:

     Jc hebbe gheslapen bi miere moyen (A1667, F1657, B1681).

Reynaert wilde dat niet meteen zo zeggen en de reden daarvoor geeft hij in de hss. A1668-1669 en F1658-1659:

     Ghi zijt mijn maech hu souts vernoyen

     Seidic eeneghe dorperheit.

Doch dit komt als mosterd na de maaltijd, want Reynaert heeft in zijn biecht al menig staaltje van zijn "dorperheit" gegeven. Er is geen reden nu opeens geheimzinnig te gaan doen. In hs. B1682-1683 staat dan ook iets anders:

     Jc bin v oom v souds vernoeyen

     Spraeckic van vrouwen dorperheit,

waarin de "dorperheit" (= schandelijkheid, onkuisheid) van Hersinde uit zou kunnen zijn gegaan. Dat impliceert dan wel dat zij het initiatief tot het aangaan van een verhouding met Reynaert zou hebben genomen134! Overigens blijkt tot het wezen van een verkrachting om als zodanig aangemerkt te kunnen worden het hulpgeroep ("clamor") van de vrouw te behoren. "Dit geschreeuw moet bewijzen dat het feit tegen de wil van de vrouw plaats heeft, hetgeen een essentiële voorwaarde is van het misdrijf. Het geschreeuw moet luid aangeheven worden, zodat de buren het vernemen, tot hen zal men zich richten om het feit van het hulpgeroep in rechte vast te stellen."135 Hiervan is echter in het verhaal geen sprake. Nu heeft Reynaert nog niet eerder iets negatiefs over een vrouw medegedeeld en Grimbeert dwingt hem hier zich uit te spreken. Reynaert doet dat - volgens de riddercode - in bedekte termen136.

   De penitentie, die Grimbeert Reynaert op het horen van deze lekebiecht oplegt, moet overeenkomen met de zwaarte van Reynaerts misdaad. Op dit punt verschillen de handschriften  aanzienlijk. In de hss. A1675-1688 en F1665-1678 geeft Grimbeert de vos 40 slagen met een tak, daarna raadt hij Reynaert goed te zijn, te waken, te lezen, te vasten en (kerkelijke feestdagen) te vieren en anderen het rechte pad te wijzen, goed voedsel te eten, het roven en stelen af te zweren en zijn ziel te plegen. Vooral die 40 slagen zijn moeilijk te rijmen met wat Reynaert op zijn kerfstok heeft137. In hs. B1689-1696 zien we een geheel ander verhaal: Grimbeert pakt ook hier een tak, maar daarmee moet Reynaert zichzelf (!) drie slagen geven om er daarna drie keer overheen te springen "Sonder sneuelen off bugen been" (B1694) en het stokje te kussen als teken van gehoorzaamheid. Daarmee reeds zouden al Reynaerts zonden vergeven zijn. Nadat Reynaert in B alles uitgevoerd heeft als hem gezegd wordt, geeft Grimbeert hem de raad voortaan goede werken te doen, psalmen te zingen en ter kerke te gaan, te vasten, de heilige dagen te vieren, de weg te wijzen aan hen die dat vragen, aalmoezen te geven en het boze leven, het roven, stelen en verraden, af te zweren.

 

Aan het hof gekomen, wordt Reynaert daarentegen al snel tot de strop veroordeeld! Om daar wat meer armslag te krijgen, zodat hij zijn grote pleidooi kan houden, moet hij eerst zorgen dat hij geen last meer heeft van zijn drie grootste rivalen. Voor de zoveelste keer geeft Reynaert ze een raad (de galg in orde te brengen), die ze beter niet hadden kunnen opvolgen. In A1953-1954 en F1944-1945 is het Ysegrim die zegt:

     Jn hoerde nye so goeden raet

     Alse reynaert selue gheuet hier,

in hs. B1978-1979 is dat Bruun:

     Brwn sprac dat is die beste raet

     Die ic ye gehoorde die reyer seit.

     Even daarvoor had Tybeert Ysegrim eraan herinnerd, dat er een galg in de nabijheid was, waaraan Ysegrims broeders nog eens opgeknoopt waren geworden. Van die hangpartij geeft hij in de hss. A1921-1924 en F1914-1917 Reynaert de schuld:

     Nochtan reynaert diet al beriet

     Ende selue mede ghinc

     Daermen huwe twee broeders hinc

     Rumen ende wijde lancken,

terwijl Ysegrims broeders in hs. F1917 (waarschijnlijk foutief) "Reynaerdijn ende widelanken" genoemd worden. Zowel in hs. A als in F wordt gezegd, dat Reynaert er de raad toe gaf en zelf mee ging. In hs. B1950-1953 wordt dat iets anders gesteld. Tybeert zegt hier tegen Ysegrim:

     Gedenct v niet dat gi eens brochte

     Reynaert ende selue mede ginck

     Dair men beide v brueders hinck

     Rvmen ende wide lancken,

waarop volgt:

     Het wair wel tijt soud gijs hem dancken

     Wair di oec goet het wair geschiet

     Hij en wair oec noch ontgangen niet (B1954-1956, A1925-1927, F1918),

wat in hs. B (zoals in A en F wel het geval is) niet noodzakelijkerwijs hoeft terug te slaan op het voorgaande als een soort conclusie in het verhaalheden. Bij hs. B is de lezing, dat Ysegrim de vos naar de galg gebracht had waar Ysegrims broers gehangen werden, maar dat Reynaert toentertijd ontsnapt is138. "Het wair wel tijt soud gijs hem dancken" (B1954) zou dan als een aansporing opgevat kunnen worden nu de gelegenheid te baat te nemen en Reynaert op te knopen waar dat destijds niet lukte. Ysegrim moet blij zijn weer in dezelfde situatie te verkeren!

   Als Ysegrim, Bruun en Tybeert bezig zijn met de galg, begint Reynaert zijn grote openbare biecht met te stellen, dat er geen dier aanwezig is, waartegen hij geen misdaden begaan heeft (A2066-2068, F2048-2051 en B2098-2099). Omdat dit Reynaerts eigen woorden zijn, is de lezer/toehoorder geneigd hem te geloven en te denken, dat Reynaert toch een misdadiger is, hoewel eerder al aangetoond is   ook door Reynaert zelf ten aanzien van Bruun en Tybeert (A1821-1832, F1809-1822, B1839-1854 en D1839-1854 (corrupt))   dat Reynaert juridisch volstrekt onschuldig is voor wat betreft de meeste aantijgingen jegens hem geuit. Doch als Reynaert dan de "misdaden" opsomt, zal blijken dat het zo'n vaart niet lopen zal. Door zichzelf als zondaar af te schilderen en vervolgens alles wat tegen hem in te brengen zou zijn te loochenen, verwerft Reynaert wel de sympathie van de dieren. Reynaert "has the liberty to 'confess' his sins to the people. He presents this confession in the form of a Roman legal oration and in its process turns the confession into a legal argument that the sentence against him should be removed"139. Bovendien beschuldigt hij impliciet andere dieren - vooral Ysegrim moet het ontgelden - van allerlei misdaden en streken.

   Hij begint met te vertellen hoe hij en Ysegrim "gesellen" werden. Dat gebeurde met het voorrekenen van de een aan de ander dat ze familie zouden zijn. In hs. F2081 staat, dat Reynaert vertelt hoe hij Ysegrim voorrekende, dat die zijn "oem" zou zijn. In de hss. A2098 en B2125 rekende Ysegrim Reynaert voor zijn oom te zijn. In de lekenbiecht eerder tegen Grimbeert, had Reynaert al verteld dat hij Ysegrim "oem" genoemd had (A1481-1482, F1471, B152l en D1521)140. Hoe het ook zij, ook al heeft Reynaert de wolf ten onrechte voorgerekend dat hij zijn oom zou zijn, een misdaad kan zoiets toch bezwaarlijk genoemd worden141, door Grimbeert wordt dit beschouwd als een "family matter [...] and as such does not belong in a court of law"142! Later, in de hss. A2120 en F2102, benadrukt Reynaert die zogenaamde familierelatie nog eens, nadat hij door Ysegrim benadeeld zou zijn.

   Alle diefstallen en inbraken die Ysegrim en Reynaert gezamenlijk uitvoeren, passeren de revue. En in alle gevallen is het Ysegrim, die met het grootste gedeelte van de buit gaat strijken, waarmee Ysegrim eens te meer als roedeldier wordt neergezet en zo de meeste verantwwordelijkheid voor de ondernomen acties in de schoenen geschoven krijgt. Reynaert stelt het telkens zo voor dat men medelijden met hem moet hebben als arme bedrogene.

   De enige misdaad die Reynaert zelfstandig gepleegd heeft en onomwonden toegeeft, is de diefstal van de schat van zijn vader. Hij zegt: "Coninc dien scat was bestolen" (A2146, F2128 en B2165), maar het moge duidelijk zijn, dat Reynaert hierom niet veroordeeld zal worden, want uit het vervolg blijkt dat door het stelen van die schat Nobels leven gered werd en een staatsgreep verijdeld143. Reynaert kon niet anders en aangezien zijn daad ingegeven was door een complot, had hij ook niet veel te vrezen144. Dat Reynaert zichzelf hier een dief noemt, wekt alleen maar sympathie op. Te meer daar zijn vader zich daarna ook nog eens van het leven berooft. In de hss. A2481-2485 en F2444-2446 wordt dat als volgt beschreven:

     Doe mijn vader dat vernam

     Wart hi zeerich ende gram

     Dat hi van torne hem seluen hinc;

in hs. B2499-2500 staat:

     Doe dede hi dat ic lange mach clage

     Want hi van toorn hem seluen hynck,

waaruit te lezen is, dat Reynaert zich dit persoonlijk aantrekt, maar, staat er even verderop in B2508-2509:

     Ende ic heb mijn vader begeuen

     Om den coninc te behouden sijn leuen.

   In zijn jeugd heeft Reynaert, zo vertelt hij in zijn openbare biecht in de hss. A2075-2094, F2058-2077 en B2103-2121, een lam, twee geitjes en allerlei gevogelte doodgebeten, waarover overigens niet geklaagd wordt en waarvoor Reynaert dan ook niet berecht kan worden145. Daarna heeft Ysegrim hem gebruikt bij zijn eigen misdaden. En die arme Reynaert is verder nog wel door een goede raad aan Ysegrim in de ban gedaan. Toen Ysegrim namelijk monnik was en niet voldoende te eten had, had Reynaert medelijden met hem en hij gaf hem de raad het klooster te verlaten, wat zonde genoeg was om in 's paus ban gedaan te worden (A2706-2716, F2677-2687, B2723-2733 en E2677-2687).

   De apotheose van Reynaerts onschuld is uiteraard te vinden in de gratie146, die hij van Nobel verkrijgt als die in hs. A2768-2770 zegt:

     Reynaert es hier commen te houe

     Ende wille dies ic gode loue

     Hem betren met al zinen zinnen

of in F2736-2738:

     Reynaert die es hier comen te houe

     Ende wil hem des ic gode loue

     Betren uan allen euelen sinne.

In hs. B is iets van dezelfde strekking niet te vinden. Hier staat slechts:

     Reynaert staet hier als die boude

     Diemen huden hangen soude

     Nv heeft hier gedaen te houe

     So veel dat ic hem geloue

     Mijn hulde ende mijn mynne (B2770-2774).

Als je je wilt "betren" (A2770 en F2738), impliceert dat, dat er iets misdaan is. Reynaert blijkt aan bijna alles wat hem ten laste gelegd wordt onschuldig te zijn. Derhalve zou dit woord hier niet op zijn plaats zijn. Tekst B krijgt hierdoor de voorkeur boven de andere versies.

   Nobel vertelt dan verder in A2789-2795 en F2757-2763:

     Reynaert wille maerghin vroe

     Palster ende scerpe ontfaen

     Ende wille te roeme gaen

     Ende van rome danen wille hi ouer zeee

     Ende dan commen nemmermee

     Eer hi heeft vul aflaet

     Van alre zondeliker daet.

Hs. B2791-2797 heeft iets overeenkomstigs, met uitzondering echter van de laatst geciteerde regels:

     Eer hi heeft vol offelaet

     Van sondliker swaerre daet (B2796-2797).

"Alre zondeliker daet" blijkt inderdaad te veel gezegd te zijn. Er is maar één daad - de moord op Coppe laten we hier even buiten beschouwing147 -, waarvoor Reynaert aflaat moet zien te verkrijgen en dat is zijn voorstel aan Ysegrim het klooster te verlaten. Ook hierin moet hs. B het meest consistent genoemd worden. Reynaert weet het zo te draaien, dat hij nergens anders schuldig aan bevonden kan worden.

   Als de raaf Tieceline de boodschap van de ommekeer ten gunste van Reynaert aan Ysegrim, Bruun en Tybeert komt brengen, zegt hij in hs. B2805-2806:

     Die coninc heeften quijt gelaten

     Alle sijn brueken ende misdaden,

waar in de hss. A2803-2804 en F2771-2772 uitsluitend gesproken wordt van "mesdaden", en niet van "brueken". Nu is het al discutabel of Reynaert überhaupt iets misdadigs ten laste gelegd kan worden en als het al zo lijkt te zijn, wordt er geen aanklacht ingediend. Bovendien ligt alles wat Reynaert gedaan heeft in zijn aard besloten en dat is dus factisch het enige waarvan Nobel hem "quijt gelaten" kan hebben, zijn gebruiken. Uiteraard kan Reynaert ook niet veroordeeld worden voor die misdaden waarvoor geen aanklacht ingediend is.

   Ook later, als Reynaert de haas Cuwaert vermoordt, zorgt hij ervoor dat Bellijn de schuld op zich neemt door hem zelf te laten zeggen dat hij verantwoordelijk is voor de inhoud van de door Reynaert meegegeven "scerpe" (A3341-3360, F3309-3328 en R3349-3364)148. Maar natuurlijk is het wel voor iedereen aan het hof duidelijk, dat de vos er achter zit; Bellijn is immers geen vleeseter. Reynaert heeft daar nota bene zelf de aandacht op gevestigd, toen hij hem en Cuwaert verzocht zijn begeleiders te zijn. Bij die gelegenheid (A3062-3068, F302-3034, B3062-3068 en E3028-3034) sprak hij:

     Ghestade es huwer beeder zede

     Als ic doe ten tijde dede

     Als ic clusenare was

     Hebdi louere ende gras

     Ghine doet ne gheenen heesch

     Noch om broet no om vleesch

     Noch om sonderlinghe spijse.

   De lezer wordt in hs. B3087-3088 al op de moord voorbereid door de frase:

     So dat hi tot synen oneren

     Jn sijn hol leyde kuweerd

en in A3313-3314, F3281-3282 en B3333-3334 door Reynaerts uitspraak tegen Bellijn:

     Jc sal cuarde sulke sake

     Ontdecken die noch es verholen.


Het terugsturen überhaupt van Bellijn met Cuwaerts kop in de "scerpe", wordt door Reynaert in B3218-3221 als volgt gemotiveerd:

     Nochtan waen ic hem wel te vercloeken

     Hi en selt hier so quaet niet zoeken

     Hy en selt dair noch quader vijnden

     Wil ic mynen sack ontbijnden,

waarbij met "hem" in regel B3218 de koning bedoeld is. Reynaert heeft blijkbaar het plan opgevat Nobel de verschalken ("vercloeken"), aan de andere kant moet het "mynen sack ontbijnden" opgevat worden als een verwijzing naar het open kaart willen spelen, want natuurlijk zal men aan het hof terdege beseffen dat Reynaert de moordenaar is; des te meer zal Reynaert in zijn vuistje lachen omdat hem niets kan worden aangerekend. Bellijns "aandeel" in de moord wordt overigens ook goed voorbereid. Al door de manier waarop Reynaert hem verzoekt Cuwaert te vragen mee het vossenhol in te gaan, krijgt Bellijn een tamelijk grote rol voor wat betreft de gevolgen van dat meegaan toebedeeld (en in hs. B3078-3080 groter dan in A3078-3080, F3044-3046 en E3044-3046)149.

   Natuurlijk is ook wel duidelijk wie de daadwerkelijke moordenaar - al blijven de medeplichtigheid en bekentenis van de ram overeind - is en nadat Bellijn gestraft is, gaan de dieren op pad om Reynaert te hangen.

   Als Reynaert dan opnieuw voor Nobel verschijnt, krijgt hij tot zijn verbazing te horen, dat Bellijn alles verteld heeft:

     Want selue die cappelaen bellijn

     Most hier off die bode sijn

     Diet ons al seide hoet verghinck (B4704-4706).

Reynaert weet niet wat hij daarop moet zeggen (B4711). Dit had hij niet verwacht en de lezer, die gezien heeft hoe Bellijn aan het hof verscheen en gehoord heeft wat hij daar zei, weet dat Nobel bluft en zo probeert Reynaert uit zijn tent te lokken. Hier krijgt Reynaert voor het eerst een koekje van eigen deeg - want heeft hij eerder niet een misdaad voor de rechter gebracht, waarvan hij zelf geen slachtoffer was: de couppoging van Ysegrim, Tybeert, Bruun, Grimbeert en zijn vader150 - en schiet zijn "raet" te kort. Als Rukenau er vervolgens voor gezorgd heeft, dat de lucht weer enigszins opgeklaard is, is het eerste wat Reynaert vraagt:

     Ende wair is bellijn die ram?

Het is namelijk van het hoogste belang dat Reynaert precies weet wat die gezegd heeft, hetgeen Nobel hem prompt vertelt, zodat Reynaert verder kan gaan met vrijpleiten in de wetenschap dat Bellijn hem niet "verraden" heeft. “Het summum van schaamteloze slimheid” noemt Van Oostrom 2013 (F. van Oostrom: Wereld in woorden, Geschiedenis van de Nederlandse literauur, Amsterdam 2013, p. 327) dit, er helaas echter aan voorbijgaand dat dit in het voorafgaande al terdege voorbereid is en zo de consistentie van handschrift B etaleert.


Het gaat er in de Reynaert niet om of Reynaert onschuldig is of niet, het gaat erom of hij onschuldig bevonden moet worden151. Een vrijwillige bekentenis van een misdaad zoals Bellijn die aflegt, is onherroepelijk. Officieel is Bellijn daarmee schuldig en gaat Reynaert vrijuit152. En zo is het steeds. In het tweede gedeelte van Reynaerts historie begaat de vos twee misdaden, jegens Lampreel en Corbout (Scerpenebbe). Als die klachten naar voren gebracht worden, is Reynaert echter niet aan het hof aanwezig. Volgens Van Caenegem 1956 was de aanwezigheid van de beklaagde vereist op de zogenaamde placita generalia153. Gebruikelijk was dat de wettelijke claghe ter zitting van het recht voorafgegaan werd van een klacht tot de gerechtelijke instanties, die daarop de beklaagde ter zitting dagvaardden. "Wanneer hij daar verschijnt, zal de klager plechtig zijn beschuldiging uiten en vragen dat men hem recht zou laten wedervaren"154. Hiervan is geen sprake. En als we hier met een voorbeeld van een "unitair proces met getuigen" te maken hebben, zoals herhaaldelijk in de 12e eeuw uit de keuren blijkt te zijn voorgekomen, gold slechts de getuigenis van twee mannen als wettelijk bewijs155.

   Maar als Reynaert juridisch weinig tot niets ten laste gelegd kan worden156, hoeft hij ook niet te vluchten. Het enige, waar hij angst voor hoeft te hebben, is de wraak van Nobel voor het om de tuin leiden voor wat betreft de schat te Kriekeputte, want die zal met de moord op Cuwaert (als enige getuige van het bestaan van het plaatsje) wel doorhebben dat Reynaert hem ertussen genomen heeft157. Ysegrim ruikt in ieder geval zijn kans en tracht de koning te bewegen zijn vonnis te herzien door uit te roepen:

     Meerre logen dan dit

     Weet ic wel was nye gelogen (B3724-3725).

M.i. onterecht staat er in hs. A3420-3424, dat de dieren hem zullen opzoeken,

     Ende sullen sine kele hanghen

     Sonder vonnesse hets recht.

Als ze Reynaert zouden hangen, volgen ze weliswaar hun gezonde verstand   Reynaert is immers moreel schuldig aan alle misdaden158  , maar recht is het niet. In hs. B3433-3434 is dit dan ook geparafraseerd met:

     Ende by sijnre kelen hangen

     Sonder vonnisse ende sonder recht.

De sussende woorden van de koningin en Firapeel na de uit machteloosheid verklaarbare woede-uitbarsting van Nobel in B3618-3664 vind ik dan ook zeker terecht159, daar zij bepleiten volgens het recht te werk te gaan. Ook in het tweede deel van Reynaerts historie weerlegt Reynaert alle beschuldigingen die tegen hem geuit worden. Voor wat betreft de beschuldigingen van Lampreel en Corbout, rekent Reynaert op zijn grotere fysieke en verbale kracht160. De twee dieren druipen dan ook af in B4632-4677, nadat Reynaert in B4276-4631 in de aanval gegaan is. Ook de aanklachten van Ysegrim pareert Reynaert (B6336-6379) op bekwame wijze, waarop Ysegrim niets anders overblijft dan te duelleren om te pogen zijn gram te halen161.

 

Vorig hoofdstuk: DEEL I: HET MOTIEF VAN DE SCHULDVRAAGVolgend hoofdstuk: I Reynaerts "rechtsgevoel"