Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

I.2.1. Cantecleers mogelijke misstap

Beginnen we met het meest in het oog lopende probleem van Reynaerts beschuldiging van de moord op Coppe.

   Lulofs (1983, p. 209-211) heeft erop gewezen, dat in Coppe's dood "merkwaardigerwijs" een reden wordt gezien Reynaert in te dagen: "En de ironie van de situatie is dat niet de serieuze klachten beslissen, maar de klacht - over een kippetje - die feitelijk niet onder de jurisdictie van Nobel valt. Dit juridische punt is in de overgeleverde handschriften waarschijnlijk niet meer begrepen, maar de tekst verraadt nog op enkele plaatsen dat dit oorspronkelijk in het verhaal functioneerde. [...] De haan kan als vogel waarschijnlijk geen rechten doen gelden". Van Daele 1994, p. 389, wijst er echter op dat de kippen en de haan in ruimtelijk perspectief een aparte plaats innemen, omdat ze tot alletwee de in de Reynaert voorkomende werelden behoren. "In de dorpswereld zijn het naamloze prooien voor vos en wolf, maar wanneer zij aan het hof verschijnen hebben ze dezelfde rechten en plichten als de andere hofdieren. De vogels spreken zoals de andere dieren - Tiecelijn is een van de klagers - en krijgen ook dezelfde rechten." Bovendien zou Reynaert zich op de rechteloosheid van deze vogels kunnen beroepen als hem de moord op Coppe wordt aangewreven, wat hij niet doet166!

   In ieder geval biedt Cantecleers optreden met het lijk van Coppe in de tekst de mogelijkheid Reynaert te veroordelen.

 

Nu heeft men er ook al herhaaldelijk de aandacht op gevestigd dat in de sc�ne, waar Cantecleer met zijn gezin de baar met de vermoorde Coppe brengt, de optredende personen en ook de gezinssamensteling van de haan in de overgeleverde handschriften verschillen vertonen. Volgens de hss. A293-314 en F281-302 komt Cantecleer samen met de hanen Cantaert en Crayant (en met Pinte en Sproete) naar het hof. In hs. B321-342 is hij vergezeld van de hanen Cantecleer en Craeyaert (en Pijnte en Sproete). Hoe ze ook mogen heten, alle vier wenen ze:

     Om haerre sustre coppen doot (A307, F295 en B335).

   In hs. A320 spreekt Cantecleer echter over hen als "mine sustren die hier staen" (wat dus niet spoort met het eerdervermeld geslacht in A293-294), waar de hss. F308 en B348 "minen kinderen die hier staen" hebben. In hss. P239 en Pd239 klagen "twee ionge hoenre" om "coppen hoers moeders doot" (P241 en Pd241), terwijl Cantecleer ook hier klaagt, dat het aantal zijner kinderen is gereduceerd tot vier (P305 en Pd305). Deze kopiistenfouten in de respectievelijk in 1479 en 1485 gedrukte versies P en Pd zijn wel begrijpelijk: ook in de handschriften lopen de zaken dooreen voor wat betreft Cantecleers familieomstandigheden. Zo wordt de vrouw van Cantecleer in A33l "roede die vroede" genoemd en het meegebrachte corpus "coppe die mare" (A417, evenals F403 en B445). In de hss. F319 en B359 heet de echtgenote echter "coppe die vroede". Wellicht is hiermee de reden voor het suffix in de naam gegeven. Als moeder en dochter dezelfde naam hebben, zal men toch trachten op een of andere manier onderscheid te maken. Hiermee worden de suffixen achter de namen in hs. A ondertussen zinloos, want hier hebben moeder en dochter verschillende namen. Overigens, zou men dan misschien ook mogen verwachten dat een van de kinderen naar de vader genoemd is, zoals in hs. B het geval is?

   Vreemd is het ondertussen nog altijd dat Nobel in hs. F413 tegen Cantecleer over Coppe zegt:

     V wijf leit hier versleghen,

terwijl A427 en B455 het meer voor de hand liggende:

     Hu dochter leghet al hier versleghen

hebben.

   Het is opmerkelijk dat we tot dusverre in deze scène telkens aan hs. B de voorkeur hebben moeten geven bij verschillen in de handschriften, de versie van B is telkens verklaarbaarder gebleken dan de versies van A en F, doch in B486 493 lezen we opeens dat op Coppe's grafsteen staat167:

     Coppe cantecleers wijff die beste

     Die ye eyer leide op neste

     Off die myt voeten const gescrauen

     Die leit onder desen serck begrauen

     Reynaert die fel diese verbeet

     Sonder bescheit myt valschen lagen

     Sy willen dat alle die werelt weet

     Op damense te meer mach beclagen.

Hoe dit "cantecleers wijff" hier nu te verklaren?168

   In ieder geval moge uit het grafschrift duidelijk zijn, dat Coppe's eerste verdienste was, een goede leghen te zijn169. Misschien is haar bijnaam daarom hier niet "die mare", maar "die beste". Er wordt van haar eigenlijk alleen maar gezegd, dat ze "ye eyer leide op neste" (ontbrekend in de hss. A en F) en dat ze "myt voeten const gescrauen", waarbij het woord "gescrauen" connecties zou kunnen houden met het thans nog bekende woord "schravel", wat volgens Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal zoveel betekent als: "een kuiltje - een schravel zegt de jachtopziener - dat als voorspel voor de definitieve nestkom wordt gemaakt" (en in soortgelijke betekenis ook nog gebruikt wordt in B7166). De typering: "een hitsige dame", lijkt op zijn plaats en wordt ondersteund door wat Arendt (1965, p. 58) over het woord "scraven" meedeelt170: "In der Romulusfabel LVIII wird das Scharren der Henne auf die naturgegebene Untreue der Frauen bezogen171. Eine derartige ironisch-euphemistisch formulierte erotische Anspielung ist m. E. auch für das "scraven" Coppes anzunehmen: Zu vergleichen ist hier das mnl. "scharrelen", eine Frequentativ-Bildung zu mnl. "scharren"172 (gleichbedeutend mit "schraven"), das heute sowohl die Bedeutung "umwühlen", "scharren", wie vor allem die Bedeutung "poussieren" hat. Diese Deutung stimmt auch zu der

harems- und kinderstolzen Prahlerei, dit der Cantecleer unter Mißbrauch höfischer Formen seine Klage einleitet (A362-30, F320). - Der Hahn hat von altersher - neben der kirchlichen - eine erotische Symbolbedeutung173 - Dann ist wohl auch die Zeile 464 als ironische Anspielung auf die Sinnlichkeit der Henne dahingehend zu verstehen, daß Reynaert ein doch wohl etwas zu sadistischer Liebhaber gewesen sei174."

   Kijken we vervolgens naar Cantecleers relaas175 van de overhandiging van Reynaert van de brief, waaraan 's konings zegel hangt176. Toen Cantecleer de brief dan gelezen had, dacht hij dat er in stond, dat Nobel de vrede had aangekondigd voor alle dieren, ook voor de vogels. Het woord "docht" (B390, A362 en F350)177 geeft aan, dat Cantecleer niet helemaal zeker van de inhoud is. Die inhoud had hij wellicht zelfs van Reynaert gehoord. In de hss. B395 en A367 staat immers:

     Oec brocht hi my een ander maer,

waarbij het woord "oec" zou kunnen impliceren dat dit niet de enige boodschap was die Reynaert mondeling overbracht. Cantecleer lijkt echter niet te willen toegeven dat hij niet kan lezen178. Daarom wijst de haan ook met zoveel nadruk op het zegel aan de koninklijke oorkonde. Hij wil aantonen dat hij goed gelet heeft op belangrijke zaken179. Er is echter ook hier een (uiterst) subtiel onderscheid tussen hs. B enerzijds en A en F anderzijds, waarbij hs. B toch weer de voorkeur verdient. In F349 en A361 zegt Cantecleer namelijk dat hij de brief "began te lesen", hetgeen eerder en onomstotelijker een actie veronderstelt dan wat in hs. B389 staat: "Doe ic den brief had gelesen".

   Een ander verschil bestaat tussen B486 en F413, waar beide weliswaar spreken van Cantecleers "wijf" Coppe, maar waar het in hs. F413 gezegd wordt (door Nobel) en waar het in hs. B486 geschreven is, en wel op de marmeren steen op Coppe's graf. Aangezien Cantecleer deze graftekst zelf niet kan lezen en met de tekst op grafstenen meestal nauwkeurig omgesprongen wordt, moet er welhaast opzet in het spel zijn180. En wat kan er met de betiteling vrouw voor de dochter anders aangeduid zijn dan een incestueuze relatie181?! En dat zou dan weer moeten betekenen dat Reynaert ook hier juridisch gezien vrijuit zou moeten gaan182; als koningsbode mocht Reynaert immers misdrijven van ambtswege vervolgen (Jansen 1978, p. 98). Dat zou geheel in de lijn van het verhaal zijn.

   Als de kopiist van hs. F deze informatie (of een gedeelte daarvan) paraat had, wordt de vergissing in F413 meteen een stuk begrijpelijker. Er volgt echter wel weer uit, dat versie F naar versie B geschreven zou zijn en op zijn beurt model gestaan zou kunnen hebben voor hs. A. De kopiist van A zou de fout dan weer hersteld hebben door Cantecleers vrouw een andere naam te geven183.

   Wellicht moge in herinnering geroepen worden, dat incest inderdaad een "scande groot" (B1679) genoemd wordt door Reynaert als hij zijn verhouding met Hersinde tegenover Grimbeert opbiecht184. Reynaert gaat daar zeer omzichtig te werk; net zo omzichtig wordt hier van de situatie tussen Cantecleer en Coppe gewag gemaakt185.

   Enerzijds wordt Cantecleer dus op welhaast Reynaerdiaanse wijze voor gek gezet, anderzijds wil men het voorval aangrijpen om Reynaert te ontbieden. Als Reynaert dan voor Nobel staat en verweten wordt de koninklijke vrede verstoord te hebben (B1822-1823, D1822-1823, F1793-1794 en A1804-1805), probeert Cantecleer ook een duit in het zakje te doen. Dat Nobel hem dan in B1826-1827, D1826-1827, F1796-1797 en A1808 1809 abrupt de mond snoert:

     Die coninck sprac hout uwen mont

     Her cantecleer laet my spreken,

kan slechts verklaard worden uit het feit dat Cantecleers getuigenis mogelijk afbreuk aan de aanklacht zou doen, omdat hij zelf boter op zijn hoofd heeft186. Meteen na Cantecleers poging, gaat Nobel met zwaarder geschut verder en begint hij Reynaert voor dief uit te maken (A1811, F1799, B1829)187 om in A1818 en F1806 Reynaert de galg reeds in het vooruitzicht te stellen (in hs. B1836 is slechts sprake van “ic denck v dies te gelden”).

   Over de moord op Coppe wordt met geen woord meer gerept!


Vorig hoofdstuk: I Reynaerts "rechtsgevoel"Volgend hoofdstuk: I Hersinde&#;s afstraffing