Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

II.1.2.1. Het vluchtplan

Als Reynaert zich uiteindelijk met veel moeite vrijgepleit heeft van alle beschuldigingen aan het hof, besluit hij in A3317-3329 en F3285-3297 alsnog met Hermeline naar de "woestine" te vluchten246. Hij zegt in A3319-3320 en F3287-3288:

     Ende sprac hier naect ons gherochte

     Bliuen wi hier ende grote pine,

maar een noodzaak voor deze vlucht is er niet echt247. Het terugsturen van Cuwaerts kop kan niet grotere consequenties hebben dan het terug laten gaan van Bruun. Wettelijk gezien had Reynaert hierbij niets te vrezen - evenmin als bij Tybeert, alleen was Reynaert van diens ontsnapping niet op de hoogte -, want Bruun was zelf gekenmerkt als een dief. En hier heeft hij Bellijn op het hart gedrukt de schuld van Cuwaerts dood op zich nemen. Als Reynaert echter toch het plan heeft te vluchten, zou dat laatste hem om het even moeten zijn. Het plan om Cuwaerts kop naar Nobel te zenden lijkt pas opgekomen te zijn nadat de haas vermoord is.

   Bekijken we het vluchtplan op zichzelf in A3152-3165, F3118-3131, E3118-3124 en B3151-3165, dan wordt dat uitsluitend in hs. B door Reynaert gemotiveerd:

     Als hi van als wet dat waer

     Hy sel my haestelic volgen naer

     Ende sel my hangen kan hi my krigen

     Dair om wil ic van hier gaen vigen

     Jn een schoon ander foreest (B3148-3152),

     [...]

     want die coninc liet my op dat

     Gaen. dat ic hem enen scat

     Wijsde al gynder op kryeken pit

     Mer hi en vijnter dat noch dit

     Al zocht dair oec vmmermeer

     Dit selhem toornen alte zeer

     Als hi hem dus vijnt bedrogen

     Wat waendi hoe mennige scoon logen

     Brocht ic voort eer ic ontginck (B3166-3174)

En dit is meteen het enige wat Reynaert werkelijk op zijn kerfstok heeft: het bedriegen van de koning voor wat betreft de schat te Kriekeputte, maar of dit een halsmisdaad genoemd kan worden??

In hs. B vlucht Reynaert niet248! Weliswaar speelt hij met de gedachte te vluchten, nadat hij Cuwaert onthoofd heeft (B3125-3126), maar Hermeline, die in de volgende passage, waarin zich een gesprek tussen Reynaert en haar ontspint, zeker niet als dom afgeschilderd wordt, bepraat hem249. Daarbij dient aangetekend, dat ze in hs. B3135-3147 nog minder dom te voorschijn komt dan in A3135-3146, F3101-3212 en E3101-3112. De ommezwaai van Nobel, zoals Reynaert haar die voorspiegelt, is ook wel èrg ongeloofwaardig - maar misschien is dat wel opzet, want Reynaert wil met zijn vluchtplan komen - en in hs. B3139 met name, heeft Hermeline Reynaerts dubbelzinnigheid meteen door. Reynaert zegt daar over de koning:

     Hy sels genoech voor ons betalen

     Hy en geert niet bet dan wijt halen (B3138-3139),

gevolgd door B3140:

     HJ sprac reynaert gi spot ic waen,

waarbij duidelijk is dat met "HJ" in dit geval Hermeline bedoeld moet zijn (welke schrijffout de andere handschriften mogelijk ertoe gebracht heeft ervan te maken:

     Reynaert sprac hi jans hu wale (A3139)

en

     Reynaert sprac hi gan ons wale (F3105 en E3105)).

   In de hss. A, F en E moet Reynaert het nog veel bonter maken om Hermeline's ongeloof tenslotte op te wekken. Reynaert zegt daar zelfs:

     Hi soude ons gherne ghiften gheuen" (A3141, F3107, E3107),

waarop Hermeline (A3144-3146, F3110-3112, E3110-3112) reageert met:

     Wat ghiften es dat sprac hermeline

     Reynaert sprac hets eene lijne

     Ende een vorst ende twee micken.

In B3143-3144 antwoordt Reynaert daarentegen onomwonden met

     Vrou ic heb gehuuft den coninc myt vlijt

     Ende sijn wijff die coninghinne

op Hermeline's vraag haar de waarheid te vertellen, hetgeen Muller (1884, p. 113-114) een verlies noemt. Hij geeft zijn voorkeur aan hs. A, dat het element van de galg in Reynaerts rede tot Hermeline heeft. Doch even verderop, op p. 114, zegt hij: "De omwerker heeft dus vooreerst iplv. de zinspeling op de galg, H.'s vraag om opheldering en R.'s antwoord, het korte verhaal van zijn bedrog ingelascht, iets wat werkelijk meer verband in het geheel brengt: immers in I weet H. eigenlijk nog niet, waarom de koning vertoornd is en waarom R. wil vluchten, als zij het bezwaar van de bedevaart oppert: veel natuurlijker en meer doordacht is dus hier II, waarin R. zijne vrouw eerst zijne wederwaardigheden mededeelt voordat hij zijn plan om te vluchten ontvouwt." Bouwman 1991a, p. 341, laat in zijn keuze voor de meest logische passage hier hs. B buiten beschouwing. Wel stelt hij dat A3151:

     Soe sprac reynaert wat mach dat zijn,

waarin Hermeline naar Reynaerts bedoeling vraagt als die wil gaan vertellen naar “een wildernesse” te willen ontgaan, de mindere is ten opzichte van:

     Si sprac reynaert hoe mach dat sijn (F3117)

en

     Si sprac .reynaert war mah dat sin (E3117),

waarmee hij meteen aangeeft de versie van A voor onoorspronkelijk te houden. Bouwman gaat hiermee voorbij aan de versie van B, waarin Reynaert in het geheel niet wordt onderbroken door Hermeline. Dat is ook hier niet nodig: Reynaerts woorden in het voorafgaande zijn duidelijk en behoeven geen explicatie.

   Vervolgens zet Reynaert haar dan voor het blok:

     Jc wil myt v bestaen die vaert (B3160),

waar A3159-3160 en F3125-3126 het (halfzachte) vragenderwijs gestelde:

     Wildi doen vrauwe hermeline

     Dat ghi gaen wilt met mi daer (A3159-3160)

hebben, nadat Reynaert (in alle versies) geschilderd heeft hoe de plaats waarheen hij vluchten wil eruit ziet.

   Hermeline praat hem dat in hs. B echter zeer kordaat uit het hoofd:

     IC en rade ons niet sprac ermelijn

     Te varen in een ander woestijn

     Dair wi ellendich ende vreemde weren

     Wy hebben hier al ons begeren

     Ende gi zijt meyster uwer gebueren

     Wair om woud dijt dan auentueren

     Ende nement quaet ende latent goed

     Wy mogen hier leuen in sekerre hoed

     Onse borch is goet ende vast

     Al woud ons die coninc doen ouerlast

     Ende hi ons myt machte bezaet

     Hier sijn so veel zidel gaet

     Dat wi wel te tide ontrumen

     Wy en mogen myt bliuen niet versvmen

     Wy weten die wege ouer al

     Eer hi ons dan vangen sal

     Mit crachten. dair sel veel toe horen (B3184-3200)

Heeroma (1970, p. 126-127) en Wackers (2002, p. 365) hebben al gewezen op de functionaliteit van de beschrijving van Mapertuus in B564-578. Hermeline kan nu de in deze regels geschetste veiligheid gebruiken om tegen een vlucht te pleiten. Het ontbreken van deze regels in de hss. A en F kan daarmee eveneens gemotiveerd worden. De passage over de veiligheid van Mapertuus voor Reynaert en zijn gezin ontbreekt, waardoor Reynaert de mogelijke reden om gelaten af te wachten wat er zal gaan gebeuren, in de hss. A en F ontnomen wordt.

   Opmerkelijk is later de omkering in de regels A3189-3190 met F3157-3158 als Hermeline voorgesteld heeft in Mapertuus te blijven en over de koning zegt:

     Hi en selt hier so quaet niet zoeken

     Hy en selt dair noch quader vijnden (B3219-3220)

In F3157-3158 staat dan namelijk:

     Dat sculen es mi alte goet

     Alse dat varen sprac reynaert,

waaruit dezelfde tendens (want dezelfde volgorde) als in B te lezen valt, namelijk een tendens om te blijven in plaats van te vluchten. In A3189-3190 is dat omgedraaid:

     Dat varen es mi also goet

     Alse dit bliuen sprac reynaert,

waaruit logischerwijze een tegengestelde tendens te lezen moet zijn. Bouwman 1991a, p. 345, merkt over deze passages op: “In deze context moet varen […] betekenen: ‘wegtrekken naar de wildernis’. En met bliven kan hier alleen bedoeld zijn: ‘blijven in Maupertuus’, doch dit behoorde niet tot een van de twee opties [sic] in Reinaerts dilemma. Al met al een vreemde conclusie.” In hs. B zegt Reynaert onomwonden:

     Jc wil hier bliuen nv gijt my raet (B3212).

Uiteindelijk gaat ook hs. F (evenals A) verder met de vlucht van Reynaert en zijn gezin. De geciteerde regels zouden daardoor de hypothese kunnen ondersteunen dat F hs. B volgt, maar inkort met als gevolg dat het door onoplettendheid iets onlogischer wordt, wat in hs. A weer gepoogd wordt goed te maken

   Als Reynaert in hs. B overtuigd is, dat ze beter op Mapertuus kunnen blijven, kan Reynaert de volgende karakterisering te beurt vallen:

     Doe keerde reynaert als die boude

     Weder in sijn hagedochte (B3295-3296).

   Logischerwijze ontbreekt een overeenkomstige passage in de hss. A en F, waar Reynaert bij zijn (lafhartiger) vluchtplan blijft. In deze versies blijft het ondertussen wel onduidelijk waarom Reynaert op dit moment wel vlucht en dat eerder niet deed250. Natuurlijk heeft hij wel degelijk de mogelijkheden gehad, maar hij heeft het niet gedaan. De enige reden daarvoor is het gegeven in hs. B, dat Hermeline zojuist geworpen zou hebben. Heel misschien is daarvan nog een vage echo terug te vinden in A3321-3322 en F3289-3290, waar hij Hermeline meedeelt:

     Ghereet hu vrauwe hermeline

     Ende mine kindre also al gader (A3321-3322).

   Nadat Reynaert omgepraat is door Hermeline, kan hij zijn belofte op pelgrimage te gaan zelf wel terzijde schuiven met:

     Jc rade dair ic my mede beriet

     Dat bedwongen ede en duden niet (B3208-3209),

wat we ook in A3175-3177 en F3143-3145 tegenkomen, al wordt deze wijsheid hier op conto van iemand anders geschreven:

     Mi seide een goet man hier te voren.

   Even subtiel maar zeer veelzeggender is het verschil tussen hetgeen Reynaert aan het eind van zijn gesprek met Hermeline zegt. In A3174 en F3142 besluit Reynaert met de mededeling:

     So meer ghezworen so meer verloren,

waarmee hij als het ware het hoofd in de schoot legt (en dat hoort hier ook, want hij gaat vluchten). In B3206, waar hij niet vlucht, zegt hij:

     So meer gesworen so meer gelogen.

In alle drie de versies wordt uiteraard bedoeld, dat Reynaert zijn eed niet zal houden, maar hs. B heeft hier toch nog een dimensie meer.

Met het besluit op Mapertuus te blijven, is meteen de reden gegeven Bellijn de moord op Cuwaert in de schoenen te schuiven: Reynaert moet ervoor zorgen dat men hem niets ten laste kan leggen. In hss. A en F, waar hij toch vlucht, zou dit zuiver en alleen uit te leggen zijn als pesterij ten opzichte van Bellijn, zo is al eerder betoogd251. Dat Reynaert wel gedwongen was Cuwaert uit de weg te ruimen252, moge duidelijk worden uit Nobels woorden in A2738-2739, F2709-2710 en B2747-2748:

     Jc sal cuwaerde ofte eenen andren

     Toten scatte doen gaen met mi (A2738-2739).

Daarnaast wijst Lulofs 1975, p. 210, erop, dat Reynaert met het terugsturen van Cuwaerts kop naar het hof duidelijk maakt gelogen te hebben. Daarmee rehabiliteert hij zowel zijn vader als Grimbeert.

   Misschien ook heeft Reynaert hier zijn vervolgplan dan eindelijk klaar: Nobel laten geloven dat Bellijn niet alleen Cuwaert om het leven gebracht heeft - wat aan het hof toch echt niet als mogelijkheid zal worden geaccepteerd -, maar veeleer dat Bellijn de schat verdonkeremaand heeft, zoals het in het vervolg van hs. B gespeeld wordt, zodat Reynaert, die immers in Mapertuus blijft wonen, niet alsnog gedwongen zou kunnen worden naar Kriekeputte te gaan. Dat is de reden dat Bellijn met Cuwaerts kop naar het hof wordt gestuurd en zijn ingestudeerde bekentenis moet afdraaien!

 

Vorig hoofdstuk: II Reynaerts zorg voor vrouw en kinderenVolgend hoofdstuk: II Tybeerts angst voor het hof