Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

DEEL III: HET MOTIEF VAN DE DUBBELZINNIGHEDEN

III.1. Verhaal en lezer

Blok254 zegt in zijn studie naar structuuraspecten in Couperus' Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan het volgende: "Een verhaal bestaat eigenlijk pas, wanneer het gelezen wordt. Ongelezen is het niet meer dan een boek. Dit boek bezit de eigenschap, doordat het gelezen wordt een verhaal prijs te geven. [...] Dat wil zeggen: door het lezen ontstaat de vertelde geschiedenis pas werkelijk". Dan moeten we "de lezer ook het punt van waarneming en beleving kunnen noemen, ten opzichte waarvan het gehele verhaal komt te bestaan." Deze betrekking tussen lezer en het gelezen verhaal heeft onder andere een tijdloos aspect: "het voor-elkaar-bestaan van de wendingen, gebeurtenissen, scènes, ja van het gehele verhaal, in een ononderbroken verloop aan de ene kant en van de waarnemende en belevende lezer aan de andere kant", waarbij een zekere "Gestalt"-werking plaats heeft. "Dit wil zeggen, dat voor de belevende lezer het zicht op het verhaal tot 'in-zicht' wordt verdiept. Hij ziet meer, hij ziet 'verder' dan alleen de passage die hij voor zich heeft255." Bloks uitspraken gelden niet alleen voor zijn studieobject, Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan, maar m.i. voor alle literatuur. Ook de Reynaert ontstaat pas bij lezing of beluistering en ook bij de Reynaert hebben we te maken met een lezer/luisteraar, die in sommige gevallen meer weet dan de in een bepaalde scène optredende personages256. De verteller - laten we hem voor het gemak Willam noemen - kan daar op inspelen en er een zekere spanning mee creëren, soms ook heeft het een komisch effect, zeker als gebruik gemaakt wordt van dubbelzinnige passages. En die komen maar wat vaak voor in Middelnederlandse teksten, zoals onder anderen Hellinga beweerd heeft. "In de periode die ongeveer duurde van het midden van de XIIe eeuw tot in de tweede helft van de XIIIe eeuw, genoten de allermeeste geletterden van een geraffineerd, liefst streng en gecompliceerd gereglementeerd vormenspel; en lachten zij om scabreuze grappen en toespelingen, die voor ons dikwijls onbegrijpelijk grof zijn. [...] Daarom mogen wij ook in de Reynaert zodra er een naam wordt gebruikt, 'in principe' op zoek gaan naar het namenspel."257 "Een feit is het [...], dat men er in methodologisch opzicht niet alleen verstandig aan doet in dit soort teksten direct uit te zien naar woordspelingen, maar ook om maar van te voren erop te rekenen dat een scabreus resultaat wel niet zal uitblijven."258 Sommige literaire teksten uit vooral de XIIe eeuw werden als het ware overwoekerd door "het homoniemenspel"259. Vandaar wellicht de waarschuwing in de inleidende versregels 11-17: "Het past enerzijds bij de ironiserende pretentie van een sacrosante tekst waarin geen tittel of jota veranderd mag worden om de waarheid geen geweld aan te doen, anderzijds zouden bij onnauwkeurig afschrijven woordspelingen en dubbelzinnigheden verloren gaan, zoals ook in feite is gebeurd. Het is voor ons een reden verdacht te blijven op verborgen toespelingen."260 Uiteraard is de belangrijkste (indirecte) spreekbuis van de verteller in de tekst Reynaert, het personage met wie het publiek, hoe men het ook wendt of keert, zich het meest verbonden voelt261.

   Arendt 1965 was de eerste die een werkimmanente benaderingswijze bij de Reynaert heeft toegepast. Van Oostrom 1984, p. 19, ziet in het werk van deze "primair letterkundig geïnteresseerde Arendt" een "duidelijke demonstratie van de waarde die de structuralistische methode ook voor Middelnederlandse teksten kan hebben."

   In dit deel van de studie doen we onderzoek naar de dubbelzinnigheden die het Reynaertverhaal in zich bergt. En we kijken daarbij weer uit naar de meest consistente versie van het verhaal ten einde een poging te kunnen ondernemen de oorspronkelijke versie te reconstrueren.

 

Vorig hoofdstuk: II Tybeerts angst voor het hofVolgend hoofdstuk: III Reynaerts dubbelzinnigheden