Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

III.1.1. Reynaerts dubbelzinnigheden

Verschillende malen gebeurt het in de tekst, dat Reynaert zijn tegenstanders erin laat lopen. Wackers (1986) heeft ten aanzien hiervan aangetoond dat voor Reynaerts historie gesteld kan worden, dat Reynaert zijn misdaden altijd via een spreekact bedrijft, althans steeds door te spreken de situatie creëert die noodlottig blijkt voor de tegenpartij. Inderdaad laat Reynaert zijn vallen vaak voorafgaan door een waarschuwing, die echter door de opponent in kwestie niet altijd (bijna nooit) begrepen wordt262. Maar als lezer kennen we het verhaal en de afloop van de verschillende scènes263. Daardoor kan het gebeuren, dat de lezer een actieve rol toebedeeld krijgt in de voorbereiding van de gebeurtenissen. De tekst werkt immers pas optimaal als de dubbele laag ervan onderkend wordt264. Die dubbele bodem is vaak zelfs nog belangrijker dan het verhaal zelf, meent Wackers (1986, p. 33-34): "Het verhaal zelf, de narratio, heeft geen eigen waarde. Het gaat om de betekenis, de significatio. Deze wordt door de narratio overgebracht. Daarop moet het publiek gericht zijn."265 Hoezeer dit voor het primaire Reynaert-publiek gold, moge ook blijken uit de proloog van de Esopet (r. 19-22):

     Maer merket ende hoert

     Meer die redene dan die woert

     Ontdoet elc wort, ghi vinter in

     Redene ende goeden sin266

In de Reynaert zal blijken dat de dubbelzinnigheden in hs. B meer een waarschuwend karakter dragen dan in de andere versies het geval is, en bovendien andersom: waarschuwingen zijn dubbelzinniger in hs. B267.

 

Zo waarschuwt Reynaert Bruun in A665-667 en F651-653 wel met:

     Al dincket hu goet die honich raten

     Hetet te zeden ende te maten

     Dat ghi hu seluen niet verderuet,

zoals hij zegt dat het hem vergaan is, maar de parallelle passage in B is beduidend dubbelzinniger:

     Al duncken v goet die honich raten

     Neemter vmmer niet bouen maten

     So dattet uwen liue yet deert (B716-718).

Hier wordt de oorzaak van het "deren" van het lichaam namelijk niet bij Bruun zelf gelegd; de reden ervoor is – Reynarert heeft zijn plan al klaar – het gulzige eten van de honingraten en de toetakeling die daar direct op zal volgen. In B759 herhaalt Reynaert zijn waarschuwing:

     Etes niet te veel het wair v quaet,

gevolgd door:

     Gi en soud te houe niet mogen gaen (B760).

Het moge duidelijk zijn dat Reynaert hier de wens uitspreekt, waar het hem allemaal om begonnen is: Bruun ervan te weerhouden naar het hof terug te keren (deze passage ontbreekt bij A en F).

   Als hij later de rivier opzoekt om zich te verkoelen, staat er dan ook in B923-925:

     Hi was so blide dat hi en weet

     Hoe geberen van bliscap groot

     Van hope dat die beer wair doot,

waar in A901 en F885 slechts het woord "versleghen" gebruikt wordt, terwijl Reynaert even daarna in alle drie de versies overtuigd is van Bruuns dood (A905, F889 en B928).

   Wanneer Reynaert hem dan bloedend en verminkt bij de rivier aantreft, staat in A935 en F919:

     Dat sach reynaert arde gherne.

B954 is hier terecht zwakker:

     Dien in dier droefheit sach gern.

Dat is logischer, want natuurlijk ziet Reynaert Bruun graag gewond, maar het is tevens teleurstellend, als men zich realiseert, dat Reynaert dacht voorgoed van Bruun af te zijn.

   Een uitspraak van Reynaert die behalve een meerduidig een duidelijk waarschuwend karakter draagt, zien we in het antwoord van Reynaert op Bruuns vraag:

     Wildine honichs maken zat (A610, F596, B661).

In A616-618 en F602-604 luidt zijn antwoord:

     Verghaue god dat mi nu ware

     Also bereet een goet gheual

     Alse hu dit honich wesen sal (A616-618),

waarbij aangetekend moet worden, dat F602 de parafrase

     Vergaue god dat ic v nv ware

heeft. In B666-667 daarentegen heet het:

     Ende sprac oom wair v also na by

     Dusent nobel als die honich sy.

In de hss. A en F zegt Reynaert niets anders dan dat hij hoopt dat God ervoor zou willen zorgen, dat het hemzelf even goed (=slecht) als Bruun zal vergaan. B heeft hier echter een waarschuwing: Bruun mocht willen dat er hulp nabij was! En direct daarop zegt hij, dat hij Bruun zal laten lachen "te maten" (A626, F612, B673). Even later, in B685-686, is het:

     Jc sel v dess honychs maken zat

     Van also veel als gi moget dragen,

waar in de corresponderende regels in A en F het woord "honych" ontbreekt, zodat alleen in B een direct verband gelegd wordt tussen "honych" en het dragen van de slagen die eruit voortvloeien. Daarop leidt Reynaert Bruun naar de gespleten boom en zegt, dat daarin

     Es honichs vtermaten vele (A661, F647, B712).

Als Bruun dan vastzit, vraagt Reynaert hem:

     Brwn ist honich goet (B758),

om dat in B965 nog eens te herhalen bij de rivier:

     Wast honich oec van goede smaeck?

 

Als Tybeert hem daarna komt indagen, heeft Reynaert het nog over "brwn die vraet" (B1110 en F1075), wat voor Tybeert een waarschuwing had kunnen zijn zich niet ook vraatzuchtig te gedragen. De afwijkende karakterisering "bruun de braet" in A1088 heeft verder geen functie in het verhaal en lijkt daarom minder authentiek. Overigens heeft Bruun reeds eerder het predicaat "vraet" gehad, en wel in A544 en F530.

   Tybeert is echter wel vraatzuchtig, vraagt Reynaert wat die te eten heeft als ze tot de volgende morgen zouden wachten met naar het hof gaan. Reynaert antwoordt dan met:

     Hier is goede spise quaden tijt (B1134),

waarbij het in A1112 en F1099 ontbrekende "goede" kan verwijzen naar de slechte (maar voor Reynaert: goede) bekomst van Bruun. En als ze dan uit stelen gaan, raadt hij Tybeert, zoals hij Bruun aanraadde er "te maten" (A666 en F652) oftewel "niet bouen maten" (B717) van te nemen, helemaal niets te nemen in B1208:

     Coomt des off ende laet ons keren.

Deze parallel vinden we in de andere versies niet. Daar zegt Reynaert juist "Gaet heten" (A1187 en F1175), waardoor hij zichzelf meer medeplichtig maakt dan in hs. B, meer dan zijn bedoeling kan zijn.

   Wel belooft Reynaert hem in iedere versie zat te maken268, maar hij spreekt er dan een tijdsbepaling bij uit, die in elke versie verschillend is. In A1154 staat:

     Eer ic nemmermeer van hu sceede,

wat onzin oplevert; F1141 heeft:

     Eer ic emmer van v sceide,

wat in de context van het verhaal te doorzichtig zou zijn; B1176 heeft:

     Eer ic tauont van v sceide,

wat de perfecte zin oplevert, namelijk dubbelzinnig voor het publiek, dat bekend is met het verdere verloop, en eenduidig voor degene tegen wie het gezegd wordt269.

Als Reynaert in A3064, F3030, B3064 en E3030 zegt dat Bellijn en Cuwaert net zo goed leven als hijzelf deed, "Als ic clusenare was", is dat natuurlijk een directe verwijzing naar A266-271, F254-259 en B294-299, waar Grimbeert over Reynaert vertelt:

     So weetic wel dat hi ne dede

     Dinc ne gheene dan of hi ware

     Hermite ofte clusenare

     Naest siere huut draecht hi een hare

     Binnen desen naesten jare

     Sone hat hi vleesch no wilt no tam,

maar buiten dat behelst het een waarschuwing aan het adres van (zoals later blijkt) Cuwaert, want begint ook Cantecleer zijn verhaal niet met:

     Sint quam hi als een hermijte (A356, F344 en B384)?

En we weten wat er toen gebeurde...!!

   Even geveinsd is de wens die Reynaert Nobel toevoegt hij zijn vertrek:

     Blijft godeuolen laet mi varen" (F3006);

     Blift gode beuolen ic moet gaen" (E3006);

     Blijft ghesont ende laet mi gaen" (A3040 en B3040),

al blijven F en E wat meer in de sfeer van de pelgrimage.

   Van Cuwaert wordt gevraagd of die Hermeline en de welpen tot troost wil dienen (op zich al dubbelzinnig), als Reynaert "orlof an hem neme" (A3079-3082, F3045-3048 en E3045-3048), terwijl B3079-3082 hier de "verspreking" - en versprekingen zijn in de Reynaert een structureel element - heeft:

     Als ic aen haer geen oorlof bat!

Evengoed zal Cuwaert tot troost dienen!

   Als Reynaert Bellijn toevoegt:

     Ghi sult den conninc minen heere

     Harde willecomme zijn (A3269-2370, F3237-3238 en B3291-3292),

als die de "brieven" naar het hof zal gaan brengen, werkt dat in hs. B ironischer (en daardoor waarschuwender) dan in de andere versies. In B3221 heeft Reynaert namelijk aangekondigd, dat hij zijn "sack ontbijnden" zal. De lezer/toehoorder die deze informatie in het achterhoofd heeft, kan al vermoeden wat Reynaert van plan is...


De meeste dubbelzinnigheden debiteert Reynaert tegen Nobel - terwijl hij hem nog zo gewaarschuwd heeft in A1782-1784, F1770-1772, B1800-1802 en D1800-1802:

     Het ne betaemt niet der cronen

     Datsi den scalken ende den fellen

     Te lichte ghelouen datsi vertellen -

als het gaat om het leugenverhaal van de verborgen schat270. Zo zegt hij in B2535-2538:

     So wart nye coninck in sinen leuen

     So rijck als ic maken sal

     Want die scat is sonder getal

     Die ic hem wisen sel al dair hi leit,

waar A2512-2519 en F2475-2476 gewoon hebben:

     So willic hem wijsen den scat

     Den coninc al daer hi leghet271

(een schat zonder getal kan betekenen: geen schat).

   Als Nobel hem dan dreigend toespreekt voor het geval hij nog ooit eens iets zou willen misdoen, kan Reynaert in B2565-2566 naar eer en geweten zeggen:

     Heer sprac hi ic wair onvroet

     Seide ic waer ten waer also.

De overeenkomstige regels in de andere handschriften hebben hier iets veel minder verstrekkends, dan wel onzin staan, namelijk:

     [...] ic ware onvroet

     Ne gheloofdic hu niet also (A2541)272

en

     [...] ic ware onvroet

     Ne louedict niet wel also (F2504).

De uitspraak in B2566 werkt des te sterker, waar Reynaert (in A2406-2412, F2370-2375 (met weglating van regel A2410), en B2429-2435) eerder geschilderd heeft hoe hij de schat opgroef:

     Al daer vandic groet ghewin

     Daer vandic seluer ende goud

     Hier nes niemen nu so houd

     Dies nye so vele te gader sach

     Doe ne spaerdic nacht no dach

     Jc en ghinck trecken ende draghen

     Sonder karre ende waghen

(een schat waar je geen kar of wagen bij nodig hebt om te vervoeren kan nooit veel betekenen).

   Als we dan verderop lezen:

     Reynaert nam een stroe voer hem

     Ende sprac heere coninc nem

     Hier gheue ic di vp den scat

Die wijlen ermelinc besat (A2561-2564, F2524-2527),

wat in B2583-2588 geparafraseerd wordt als:

     Doe nam hi een stroo op vander heiden

     Ende boot dat den coninc zaen

     Mijn heer sprac hi wilt ontfaen

     Mijn scat hier mede want icken v vry

     Ende claerlic dair off verty

     Die wilen ermelinc besat,

dan heeft dat opeens een veel letterlijker betekenis gekregen dan anders het geval zou zijn geweest273. Men lette bovendien op de gebruikte naam "ermelinc", waarmee volgens Grimm (1834), Martin (1874), Muller (1884 en 1944), Peeters (1973/1974), Lulofs (1983) en anderen de stichter van de burcht te Gent bedoeld moet zijn, wiens legendarische schat volgens de overlevering verloren gegaan is274. (F2527 heeft: "ermeric"275 - welke naam later ook in B zal opduiken -, wat nota bene volgens Verdams Middelnederlands handwoordenboek276 vertaald zou moeten worden met "arme drommel"277). Als Reynaert later over de schat vertelt, hebben alle versies bij Ermelinc/Ermeric een toevoeging als "coninc" (A2613) of "keyser" (F2576 en E2576), behalve B2626:

     Ghi sult dair vijnden oec die croon

     Die ermeric droech in sinen dagen.

Wel is het dan vreemd, dat B2629-2631 vervolgt met:

     Ghi selt dair mennige scierheit zien

     Edel steen ende gulden werck

     Die weert sijn mennich dusent merck,

waar A2614-2616, F2577-2579 en E2577-2579 in de traditie van de meerduidigheid vervolgen met:

     Ende ander chierheit ghenouch

     Edele steene guldin waerc

     Men cocht niet omme dusent maerc.

Voor een niet bestaande schat zal immers niemand zoveel geld willen betalen. Of refereert Reynaert hier aan vervalsingen, zoals Cuwaert - volgens de Germaanse sagen de schatbewaarder bij uitstek278, maar hier dus lelijk door de mand vallend - in A2669, F2640 en B2686 onthult, dat ter plaatse vals geld geslagen werd?!?

   Als men ervan overtuigd is, dat Reynaert een spel speelt met Nobel - een schat zonder getal (B2537), die Reynaert zonder kar of wagen kan vervoeren (A2412, F2375 en B2435), afkomstig van een arme drommel (F2527 en B2626) en die gesymboliseerd kan worden door een strootje (A2561, F2524 en B2583)279 -, kan er ook een keuze gemaakt worden tussen A2135-2138 en F2117-2110 enerzijds:

     Jc hebbe noch seluer ende gout

     Dat al es in mier ghewout

     So vele dat cume een waghen

     Te .vij. waeruen soude ghedragen,

en B2153-2156 anderzijds:

     Want ic heb noch den scat so groot

     Beide aen siluer ende aen goude

     Dattet een wagen niet en soude

     Mit seuen reysen niet wech vueren280.

Waar geen schat is - en de lezer weet dat dat zo is omdat de verteller dat expliciet duidelijk maakt door voorafgaand aan het schatverhaal te zeggen: "Nv wil hi so liegen wttermaten" (B2193)281 - kan die ook niet vervoerd worden. Zelfs niet met veel moeite!282

   Dan is van belang de plaats waar Reynaert zegt de schat verborgen te hebben. Volgens Lulofs (1983, p. 273) verschaft Reynaert de koning nauwkeurige details, zodat die de plaats precies zal kunnen terugvinden, zonder dat hij anderen met die schatgraving hoeft te belasten. De schat zou verborgen zijn in

     Een bosch ende heet hulster loe (A2575 en B2598)

of

     Een berch staet ende hiet hulsterloe (F2538).

Nu heeft hs. B daarbij als enige nog de toevoeging:

     Sijn rechte naem is aso (B2599)

en volgens Verdams Middelnederlands handwoordenboek is asoleren: "gelijk, glad, vlak, effen maken", hetgeen in dit geval opgevat zou kunnen worden als: een bos dat met de grond gelijk gemaakt is. Hs. B is daarna in de topografische bijzonderheden zeer consequent, want de toevoegingen bij de mededeling, dat op die plaats alleen te vinden zouden zijn:

     [...] die hule entie scuvuut

     Die daer nestelen in dat cruut

     Of eenich ander voghelijn

     Dat daer waert gherne wilde zijn

     Ende daer hi auontuere lijdet (A2589-2593, F2552-2556 en E2552-2556)

ontbreken in hs. B. Immers: als er geen bos is, is er ook geen "cruut" en zullen vogels daar ook niet graag komen. Desalniettemin is het mogelijk (ook al is dat niet noodzakelijk) in B2606 te lezen, dat "die wl ende scwfwt" wél in die wildernis voorkomen. Ook dan behoeft dit nog niet als onzin gekwalificeerd te worden, want ook "scwfwt", volgens Verdam zowel "nachtuil" als "bedelaar of schooier" betekenend, kan hier dubbelzinnig gebruikt zijn. En voor wat betreft "kriekeputte" kunnen we uit Verdam de betekenis "geen put hoegenaamd" halen283, waaruit meteen zou kunnen blijken, dat F2541 hier corrupt is, daar hier staat:

     Een tromp boem hiet criecpit284,

terwijl A2478:

     Een borne heet krieke. pit

en B2601:

     Een water heet krieken pit

hebben285. Net als Willem in zijn proloog (A39, F39 en B43-44) de lezer doet, geeft Reynaert Nobel zelfs de raad goed acht te slaan op de naamgevingen van de plaats waar de schat verborgen zou moeten liggen:

     Verstaet wel ditte es hu nutte

     Die stede heetet krieke putte (A2595-2596);

.     Coninc. die stede hiet criekeputte

     Verstaet dit wel et is v nutte (F2558-2559 en E2558-2559);

     Die stede die heet krieken pit

     Tis v nvt verstaen wel dit (B2608-2609).

Hellinga (1958, p. 15-17) wees reeds op de bijzondere functie van namen in het verhaal: "Dat staat er, inderdaad [...]. Maar er staat nog meer en wel omdat volgens een vormgevingsprincipe van die tijd elke naam tevens de betekenis heeft van een of meer woorden die in de naamvorm zitten of er eventueel mee samenvallen. [...] Maar het zijn niet alleen namen waarmee gespeeld wordt. Het behoort tot de hogeren stijl van de eeuw om poësie obscure te schrijven en Willem volgt dat voorbeeld - als het hem in zijn verhaal te pas komt286."

   Als Reynaert later Bellijn met Cuwaerts kop terugstuurt naar het hof, doet hij dat - zoals bekend - met de mededeling dat de pelgrimstas brieven voor Nobel bevat. We vinden in de hss. A3280-3282 en F3248-3250 een tamelijk flauw grapje als Reynaert tegen de ram zegt,

     Dat hi die lettren niet ne soude

     Besien of hi gherne woude

     Den coninc teenen vrienden maken;

in B3304-3306 is het grapje een stuk subtieler, omdat gebruik gemaakt wordt van een dubbele ontkenning. Hier beveelt Reynaert Bellijn namelijk aan:

     Dat hi niet die brieue en zoude

     Niet besien off hijt gern woude

     Tot des conincs vrientscap soude naken

(bekijk de inhoud van de tas als je de koning te vriend wilt houden).

   En die arme Bellijn weet toch al niet meer hoe hij het heeft, want even ervoor (A3248-3252, F3216-3220 en B3270-3274) heeft Reynaert aan iets gerefereerd, waarvan hij onmogelijk op de hoogte kan zijn:

     REynaert sprac vernaemdi yet

     Dat mi de coninc ghistren hiet

     Voer arde vele hoeghe liede

     Als ic huten lande sciede

     Dat ic hem een paer lettren screue.

In A2794, F2762 en B2796 is enkel sprake van "aflaet" die Reynaert zal verkrijgen voordat hij zal wederkeren, er staat niets over te schrijven brieven! Hs. B verschilt hier overigens op één plaats essentieel van A3248-3252 en wel in de eerste geciteerde regel. Daar heeft B3270 in plaats van "vernaemdi yet" de woorden: "huecht v niet", en ook hier kan het woordje "niet" een duivelse rol spelen.

   Ook de pudenfabel (B2328-2349, A2299-2322 en F2267-2294) is voorzien van een dubbele bodem, zo heeft Wackers (1986, p. 101) al opgemerkt: op het eerste gezicht werkt de fabel positief voor Nobel, maar indirect geeft hij een negatief beeld van de koning. En in het tweede deel van hs. B slaagt Reynaert erin de ring (één van de drie zogenaamd aan Bellijn meegegeven juwelen287) naar religieus heil te laten verwijzen én te suggereren dat de drager van de ring dat religieuze heil toch niet zonder meer zal bezitten288. In B5421-5423 zegt Reynaert, dat de ring alleen voor een "edel man" zonder "dorperheit" zou werken, waarbij het maar de vraag is of Nobel zo iemand is289. In het geval dat dat wel zo is, zou de steen in de ring het gezichtsvermogen van Nobel vergroot hebben. Datzelfde vermeldt Reynaert ook bij de spiegel. Nobel krijgt echter uiteindelijk geen van beide: zijn gezichtsvermogen blijft dus troebel.

   En als Reynaert reageert op de mededeling van Cuwaerts dood, roept hij:

     Wopen ouer den mordenaer

     Jc sel dair noch off weten twaer

     Al soud ic die werlt dair om door dolen

     Want mordaet en bleef nye verholen

     Het mach licht dat hi hier by ons staet

     Onder den hoop hier dier of weet hoet gaet

     Daer kuwart bleef al en seit hijs niet

     Want mennich scalc die loosheit pliet

     Wandelt dic mitten goeden

     Dair hem nyement en can voir hoeden

     Sy connen herde wel haren aert bedecken (B5908-5818).

Reynaert drijft zijn spel zelfs zo ver op de spits, dat hij in B6380-6387 onomwonden kan beweren al de tijd slechts de waarheid te hebben gezegd. Verder geeft hij in B6632-6639 duidelijk weer dat hij - in ieder geval Ysegrim hier - gewaarschuwd heeft en als men dan te dom is om dat te begrijpen, is men zelf schuld aan de mogelijke gevolgen:

     Heer coninck en was dit niet

     Genoech gewaerscuut diet verstonde

     Dat hi van al dat hi vonde

     Contrari dair off soude seggen

     Mer rude onbesnode beleggen

     Ende connen geen wijsheit gegronden

     Dair om haten sy subtijl vonden

     Want si se selue niet en verstaen.

   Het taalgebruik in de Reynaert blijkt dus heel belangrijk te zijn290. Wackers (1986, p. 119-120) zegt zelfs dat de strijd in Reynaerts historie een gevecht met woorden is en hij onderstreept het belang van Reynaerts "liegtechniek". "Taal wordt gebruikt om anderen te manipuleren" en "taal is in Reynaerts historie een wapen"291.

 

Een stijlfiguur, verwant aan dubbelzinnigheid (eerder: een soort versluiering), die niet zozeer een verkapte waarschuwing inhoudt voor degene tegen wie het gezegd wordt (en dus een knipoog naar de lezer is), maar meer uit eigenbelang gebezigd wordt, vinden we onder andere in B2122-2128, waar Reynaert aan zijn openbare biecht begonnen is. Hij vertelt daar namelijk hoe hij en Ysegrim "gesellen" zijn geworden: doordat de een de ander voorrekende dat ze familie van elkaar waren. In B2122-2128 vertelt hij dat als volgt:

     Dair na quam ic aen ysegrim

     Te wijnter aen den ouden rijn

     Ende scuulde onder enen boom

     Ende rekende dat hi waer mijn oom

     Als ic hem dus maesscap hoorde tellen

     So worden wi al dair gesellen

     Dat my wel myt recht mach rouwen.

In A2098 staat simpelweg:

     Hi rekende dat hi ware mijn oem

en in F2081:

     Jc rekende dat hi waer mijn oem.

Uit de lekenbiecht tegen Grimbeert weten we, dat Reynaert Ysegrim verraderlijk "oom" noemde (A1481-1482, F1471, B1521 en D1521). Er is daar, in de lekenbiecht, geen enkele noodzaak de waarheid te verdraaien, zodat we mogen aannemen dat Reynaert nu in de openbare biecht staat te liegen over wie de ander "oom" genoemd heeft, althans in de hss. B en A. Hij zal zijn toevlucht tot deze leugen genomen hebben, omdat hij er nu voor moet zorgen de dieren op zijn hand te krijgen! In hs. A heeft deze leugen geen directe consequenties292, in hs. B echter is Ysegrim in de buurt - ze zijn in deze versie immers allemaal naar de galg gegaan293 -, wat er mogelijk de reden voor kan zijn dat Reynaert dit hier zo versluierd weergeeft. Grammaticaal hoort bij het werkwoord "rekende" (B2125) namelijk als onderwerp: "ic" (B2122). Pas daarna, in B2126, en en passant, zegt Reynaert, dat hij Ysegrim dat hoorde vertellen. We kunnen ons Ysegrim dan voorstellen als druk bezig zijnde met het gereedmaken van de galg en op z'n hoogst met een half oor luisterend. Belangrijk hierbij is ook het gegeven, dat Grimbeert weggetrokken is van het hof en Reynaert dus niet meer terecht kan wijzen. Mogelijk heeft deze versluiering - die dan in de originele versie al moet zijn voorgekomen - de kopiist van F2081 parten gespeeld, die Reynaert hier de schuld van het voorrekenen op zich laat nemen.

 

Ook in het verhaal waarin Reynaert vertelt hoe hij achter het moordplan op de koning komt, maakt hij gebruikt van versluiering. Hij moet uitkijken dat zijn verhaal niet te controleerbaar wordt en tegelijkertijd geloofwaardig blijft. Hij roept daarvoor de figuur van zijn neef Grimbeert op als boodschapper294. Die zou, in A2278-2287 en F2246-2255, Hermeline in een dronken bui alles van het plan verteld hebben. Wel zegt Reynaert hier dat Hermeline dan

     EEns morghins arde vroe (A2278, F2246)

met de beschonken Grimbeert "an die heyde" (A2284, F2252) liep. Voorwaar geen verheffend tafereel; noch voor Grimbeert, noch voor Hermeline! Dat is in B2303-2324 opgelost door nog een schakel extra in te voegen295: Grimbeert zou het zijn vrouw verteld hebben en die zou het aan Hermeline verteld hebben, die het op haar beurt Reynaert heeft laten weten296:

     Het geuiel op enen morge vroe

     Dat mijn neue grymbart die dass

     Van wijn een deel droncken wass

     So dat hi vrou sloppel kaerde

     Synen wiue seide in rade

     Ende hiet hair dat sijt zoude helen

     Ende sy vergat al sijn beuelen

     Want sijt voort in biechte seide

     Myne wiue op eenre heide

     Dair sy bedeuaert gingen tsamen

     Mer si most bider drie coningen namen

     Eerst sweren ende bi haerre trouwe

     Dat zijt door lieue noch door rouwe

     Nemmermeer zoud seggen voort

     Mer myn wijff en hielt nye hair woort

     Want teerst dat si bi my quam

     Seide sy my wat sy vernam

     Mer si seit my in stillre teyken

     Mede seide si my sulck litteyken297

     Dat ic kende also ende waer

     So dat my alle mijn haer

     Opwaert stonden van vare groot.

Het is in eerste instantie al geloofwaardiger, dat Grimbeert zijn mond tegenover zijn eigen vrouw voorbij praat, waarna twee vrouwen onderling nieuwtjes uitwisselen, bovendien wordt het verhaal oncontroleerbaarder (ook Grimbeerts vrouw is niet aanwezig op dit moment), waardoor Reynaert zich nog meer indekt.

   In het tweede deel van hs. B sorteren de complexiteit van Reynaerts (en Rukenaus) redevoeringen een zelfde soort effect298. Het gevolg van Reynaerts rede over zijn ontmoeting met Mertijn bijvoorbeeld is, dat er een web van leugens geweven wordt dat op zich consistent is en dus als juridisch verweer functioneert, maar waardoor zijn tegenstanders afgeschrikt worden hun aanklachten te handhaven. Doordat Reynaert verbaal hun meerdere is, kunnen de andere dieren hun gelijk niet aantonen299.

 

Vorig hoofdstuk: DEEL III: HET MOTIEF VAN DE DUBBELZINNIGHEDENVolgend hoofdstuk: III De knipogen van Willam