Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

IV.1.1. De verhouding tot de koning

Het hele rechtsgeding zoals dat in de Reynaert beschreven wordt, zou best door wraakgevoelens van de koning en de koningin geïnitieerd kunnen zijn, zo is reeds eerder opgemerkt.

   De eerste keer, dat we iets over de verhouding van Reynaert tot de koning horen, is in de lekenbiecht, waar Reynaert tegen Grimbeert zegt niet eerder naar het hof gekomen te zijn, omdat hij de koning "toren" (A1473-1474), "laster" (F1463-1464) of "scand" (B1513-1514) gedaan heeft337 en ook later, in hs. B2045 zegt Reynaert dat de koning "gram" op hem is:

     Al is die coninc gram op my

     Ende mennich die hier is by

     Wats dan dat heb ic wel verdient

     Jc ward noch licht hair liefte vrient

     Nochtan en deed ic hem nemmer goet (B2045-2049),

hoewel hij zich er in de openbare biecht op beroept de koning altijd trouw te zijn geweest.

   Nobels eerdere agressieve reactie:

     Jn werde bi smeekene niet hu vrient (A1801, F1789, B1819 en D1819),

liegt er echter niet om. Meteen hierna herinnert Nobel Reynaert aan de moord op Coppe. Zijn motivatie hiervan is in elke versie een andere. In hs. A1802-1805 zegt hij:

     Hets waer ghi sout mi hebben ghedient

     Van eere saken in den woude

     Daer ghi qualic in hebt ghehouden

     Die eede die ic hadde ghezworen338,

in F1790-1793 zegt hij:

     Danc hebt gi . hebbes wel verdient

     Jn saken harde menichfoude

     Ghi hebt oec wel gehouden

     Dien vrede dien ic had gesworen,

en in B1820-1823 zowel als D1820-1823 heet het:

     Dat gi my dicwijl heb gedient

     Dat wart v nv te recht gegouden

     Gy hebt den vrede wel gehouden

     Dien ic geboot ende had gesworen.

Belangrijk voor een juiste keuze voor de meest authentieke versie is de volgende scène, waarin Cantecleer begint te jammeren. Daarvoor is na de versie van hs. A, waarin Nobel Reynaert ervan beticht tegen zijn gezworen eed in te zijn gegaan, niet echt een reden339. Als Cantecleer in A1806 zegt:

     O wy wat hebbic al verloren,

is dat op te vatten als een ondersteuning van wat Nobel juist gezegd heeft. Het is vervolgens dan ook niet erg logisch dat Cantecleer zo abrupt de mond gesnoerd wordt door Nobel. Bij de versies van F, B en D kan in Nobels rede ironie in het spel zijn, wellicht om Reynaert uit zijn tent te lokken. Cantecleer doorkruist die mogelijkheid daar door zich er ongevraagd mee te bemoeien. Reden genoeg om hem af te snauwen, al kan die reden ook in de persoon van Cantecleer zelf gezocht worden of in de hiërarchische verhoudingen aan het hof340. In ieder geval komt Nobel meteen daarop met zwaarder geschut en begint hij Reynaert in A1811, F1799 en B1829 voor dief uit te maken, waarna Reynaert in A1820-1846, F1808-1835, B1838-1867 en D1838-1867 haarfijn tot uitdrukking brengt dat Nobel een onrechtvaardige rechter is, die zich alleen maar tot iedere prijs wil wreken.

   Nobel ìs dus niet de onpartijdige rechter die hij zou moeten zijn341. Hij behandelt de molestaties van Bruun en Tybeert als een belediging hèm aangedaan en die belediging moet gewroken worden342. Vandaar dat in de hss. A1879-1880 en F1874-1875 gezegd kan worden:

     Die coninc dreef die hoeghe baroene

     Te vonnesse van reynaerts saken

en dat vonnis is het doodvonnis. In hs. B1908-1913 is de partijdigheid van Nobel nog duidelijker verwoord:

     Des conincs raet ende die coninck

     Die hoorden getuge van sijnre misdaet

     Het ginck myt hem alst dicwil gaet

     Die crancste heeft die mynste crode

     Sy gauen oordel dat men dode

     Ende hangen soud by sijnre kelen.

Het lijkt er derhalve sterk op, dat er een persoonlijke vete tussen Nobel en Reynaert speelt.

 

Als Nobel dan echter merkt dat Grimbeert

     Met reynaerts naeste maghen (A1888, F1883 en B1919)

het hof verlaat, onder medeneming van "mennich iongelinck",

     Die reynaerde na bestoet (A1898, F1893 en B1927),

denkt hij:

     Hier mach in loepen andren raet

     Al es reynaert selue quaet

     Hi heuet meneghen goeden maech (A1900-1902 en F1895-1897)

of, zoals in hs. B1929-1931,

     Hier toe hoorde wel ander raet

     Al is reynaert fel ende quaet

     Hy heeft mennigen goeden maech.

Het vervolg in de hss. A1903-1904 en F1889-1899, waarin de koning Bruun en Ysegrim aanspoort haast te maken, is dan erg onlogisch343, evenals Nobels raad Tybeert mee te nemen, omdat die goed klimmen kan en nog een lijn bij zich draagt, zoals gebeurt in hs. A1945-1949, aangezien dat bezwaarlijk als "andren raet" opgevat kan worden. In hs. B1932-1933 is het dan ook niet Nobel die de aansporing zich te haasten geeft, maar Tybeert, "der dritte im Bunde"344:

     Tybert sprac hoe si di dus traech

     Her ysegrim ende her brwn.

De raad vervolgens van Tybeerts diensten en vaardigheden gebruik te maken, komt in de hss. F en B van Reynaert zelf, die zijn drie aartsvijanden uit de buurt wil hebben. In hs. B ontbreekt bovendien de frase van Bruun in A1961-1962 en F1952-1953, waar Nobel nog altijd bij staat:

     Ghawi ende hanghene so hoghe

     Dats lachter hebben al sine vrient.

Nobel zou immers nooit hebben kunnen toestaan dat Bruun nog eens expliciteert, wat hij juist wil voorkomen! Een bestraffende reactie of iets dergelijks ten opzichte van Bruun blijft echter uit in deze versies.

Dat Reynaert vertelt over een gestolen schat in de hss. A2146, F2128 en B2165 moet voor Nobel dan ook een welkome ontsnappingsmogelijkheid zijn345. Van Reynaert is het natuurlijk een zeer slimme zet dit te vertellen. Vooral in de versie van hs. B2165-2168 lijmt hij Nobel door te stellen:

     Heer die scat die was gestolen

     Ende en wair hi oec gestolen nyet

     Dair wair groot moort off gesciet

     Aen v selfs edel lijff,

waarbij aangetekend, dat deze laatste vleiende woorden ontbreken in de hss. A2146-2149 en F2128-2132. Het mes snijdt in B aan twee kanten. Nobel wordt ermee verplicht de diefstal van de schat te onderzoeken, maar aan de andere kant zit hij ook precies op zoiets te wachten, zodat hij zijn vonnis zou kunnen herroepen en Reynaert (en daarmee zichzelf) als sympathiek uit de bus laten komen. Ook verderop, in F2302-2304 en B2361-2363, smeert Reynaert stroop om Nobels mond:

     Jc kende den .coninc. wel geboren

     Ende suete ende goedertieren

     Ende genadich allen diren,

waar de kopiist van hs. A dit abusievelijk van Bruun laat zeggen.

   Nobel willigt Reynaerts wens:

     Jn dien dat die coninc milde

     Een ghestille maken wilde (A2187-2188, F2169-2170 en B2204-2205)

(wat vooral in hs. B zijn nut heeft, omdat Bruun, Ysegrim en Tybeert daar niet ver uit de buurt zijn346) maar al te graag in en Reynaert wordt, nadat hij zijn verhaal van de samenzwering gedaan heeft, inderdaad vrijgesproken. Nobel is zelfs zijn "vrient" geworden, blijkens A2773, F2741 en B2777. Vooral uit hs. B2770-2788 wordt duidelijk, dat Nobel 180 % omgedraaid is. Overigens was de schat volgens de hss. A2239-2241 en B2260-2262 al Nobels eigendom:

     Reynaert sprac wilen teer stonden

     Hadde mine heere mijn vader vonden

     Des coninx heymeliken scat,

(terwijl in F2205 sprake is van:

     Des coninx hermerikes scat).

Nobel zou dus gewoon recht op zijn eigendom hebben kunnen laten gelden. Wel heeft hij Reynaert nodig om hem de plaats te wijzen waar de bewuste schat nu begraven ligt. Voor Nobel zou dat opnieuw twee vliegen in één klap betekenen: hij hoeft Reynaert niet te hangen, waardoor hij veel dieren te vriend houdt én hij krijgt zijn schat terug.

   Reynaert kan dan ook niet gebruiken dat Cuwaert zijn mond voorbijpraat als die ter getuigenis opgeroepen wordt. Als Cuwaert in B2700 door had kunnen praten, was Reynaerts pas verworven vriendschap met Nobel wellicht behoorlijk op de tocht komen te staan. Maar hij heeft Cuwaert hier zelf toegevoegd:

     En segt mynen heer den coninc waer

     Des maen ic v bider trouwen

     Die gi mynen heer ende mijnre vrouwen

     Sculdich zijt van des ic vrage (B2663-2666).

Ook in hs. F2615-2621 wordt Cuwaert gemaand de waarheid te vertellen:

     Segt minen here den .coninc. waer

     Des manic v bider trouwen

     Die gi vergenten mire vrouwen

     Ende hem seluen sculdich sijt.

Hs. A is hier dermate corrupt,

     Ende secht minen heere den coninc waer

     Dies maent hi hu bi der trauwen

     Die ghi zijt sculdich miere vrauwen

     Ende die ic den .coninc. sculdich bem" (A2653-2655),

dat lezing ervan m.i. onzin oplevert.

 

Reynaert heeft de koning heel subtiel - en voornamelijk via de koningin347 - voor zich weten te winnen. En als hem dan gevraagd wordt de plaats van de schat aan te wijzen, wordt het tijd voor Reynaert de balans op te maken. In hs. B2508-2509 heeft hij al duidelijk gemaakt, dat het aan hem te danken is dat de koning nog leeft:

     Ende ic heb mijn vader begeuen

     Om den coninc te behouden sijn leuen.

De koningin belooft hem daarop vrijspraak, als hij voortaan trouw en goed zal zijn348. In de hss. A2506 en F2469 belooft Reynaert dat met zoveel woorden:

     Reynaerd sprac dit doe ic vrauwe.

In hs. B draait Reynaert er een beetje omheen:

     Reynaert andwoorde lieue vrouwe

     Jn dien dat my die conincghinne nv

     Dit vast gelouen wil voor v

     Ende gi my geeft sijn hulde

     Ende alle brueken ende alle sculde

     Ende alle aen ticht wil vergeuen

     So wart nye coninck in sinen leuen

     So rijck als ic maken sal (B2529-2536),

waarbij toch wel een zekere mate van omkoping insluipt - net als in de overeenkomstige passages van de hss. A en F -, maar Reynaert nergens expliciet zegt zijn leven te zullen beteren. Dit geeft hij de koningin ter interpretatie, die door haar tussenstation functie daarmee in zekere mate medeplichtig wordt. In hs. B2540-2542 blijft Nobel dan ook sceptisch:

     Die coninc sprac wil di reyner gelouen

     Hem is dat stelen en dat rouen

     Ende dat liegen geboren int been

tegen de koningin, terwijl hij in de hss. A2514-2517 en F2477-2480 een gedachte ten aanzien van zichzelf uitspreekt:

     Die coninc sprac ic ware ontweghet

     Wildic reynaerde vele ghelouen

     Hem es dat stelen ende dat rouen

     Ende dat lieghen gheboren int been.

De koningin weet hem dan te overtuigen door er op te wijzen dat Reynaert zijn bloedeigen vader alsmede zijn neef Grimbeert beschuldigd heeft.

     Die coninck sprac wildijt dan vrou

     Ende wildijt voor v beste raden

     Al waendic dat my soude scaden

     Jc wil dese broken ende getwi

     Van reynaert nemen al op my

     Ende gelouens sijnre woorden schoon (B2553-2558).

Weliswaar hebben de hss. A2528-2533 en F2490-2496 hier iets overeenkomstigs, maar zo ver als in hs. B, waar Nobel alle schuld van Reynaert op zich neemt, gaan ze toch niet.

   Slechts via de koningin kan Reynaert de koning voor zich winnen349. In de hss. A en F is er verder niemand aan het hof, die Reynaerts verhaal van de voorgenomen staatsgreep kan bevestigen of ontkennen. In hs. B zijn Ysegrim, Bruun en Tybeert daarentegen in de buurt! Ze reageren echter niet. Misschien luisteren ze niet naar Reynaerts verhaal - ze zijn druk bezig met het klaarmaken van de galg -, maar ook als ze het wel hebben gehoord, is het hun niet toegestaan er iets op te zeggen, aangezien Nobel dat in de hss. B2229-2238 en A2209-2215, alweer op voorspraak van de koningin, (als voorzorg) verboden heeft:

     Der coninghinne iammerde van desen

     Ende bat den coninc op genaden

     Om te scutten meerre scaden

     Dat hi den volc bode sylency

     Ende reynaert gaue audiency

     Sijn tael te spreken al wt

     Doe dede die coninc ouerluut

     Gebieden dat ellic swege al stille

     Ende liet reynaert synen wille

     Onberispt ten eynde spreken.

En als ze op de hoogte gebracht zijn door de raaf Tieceline, spoeden Ysegrim en Bruun zich naar de koning en moeten hun directe aanwezigheid daar vervolgens, samen met Hersinde, bekopen. Tybeert gaat niet mee naar het hof. Uit angst? 't Is mogelijk, want:

     Hi hadde so vele ghedaen te voren

     Hine waers niet bleuen sonder toren (A2924-2925 en F2890-2891),

Terwijl in B2913-2917 staat:

     End had oec dair ter seluer stont

     Al dair geweest tybert die cater

     Hy had hem oec gewarmt een water

     So dat hi niet en had ontgaen

     Hi en had scand en scaey ontfaen.

Maar de enige die Tybeert dwarsgezeten heeft, is Reynaert! Hij heeft hem ingedaagd en nadat hij mishandeld is in de schuur van de "pape", heeft hij Reynaert daarvan de schuld gegeven. Opvallend duidelijk wordt hierdoor dus dat Reynaert nu blijkbaar de normen stelt, en niet Nobel!

   In het tweede gedeelte van hs. B, B5919-6138, uit Reynaert duidelijker - zij het nog steeds in bedekte termen - zijn kritiek ten aanzien van de koning als dat aan de orde komt in de verhalen over het egoïsme van Ysegrim en zijn de verhoudingen blijkbaar nog verder omgedraaid.

 

Vorig hoofdstuk: DEEL IV: HET MOTIEF VAN DE ONDERLINGE VERHOUDINGENIV Reynaerts relatie tot de andere dieren in het verhaalVolgend hoofdstuk: IV De verhouding tot de koningin