Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

III.1.2. De knipogen van Willam

De uitspraken van Reynaert die we in de vorige paragraaf als dubbelzinnig gekarakteriseerd hebben en die de lezer meer informatie geven dan de verhaalfiguren in kwestie, zijn uiteraard op hoger niveau van de auteur, "Willam die Madock maecte", afkomstig300. Behalve door middel van de figuur van Reynaert301 trekt deze Willam ook als auctoriale verteller de lezer het verhaal in302. En ook dan gebeurt dat als het ware achter de rug van de verhaalfiguren om. Het publiek moet immers de dubbelzinnigheden doorzien, terwijl de dieren in het verhaal erdoor misleid of voor gek gezet worden303, waardoor "dramatische ironie"304 ontstaat. Denken was in de middeleeuwen "een permanente ontdekking van verborgen betekenissen, een voortdurende 'schouwing van het heilige'. Want die verborgen wereld was een heilige wereld. Het symbolische denken was slechts een nader uitgewerkte en op geleerde wijze verduidelijkte vorm van het magische denken. [...] De middeleeuwse symboliek begint derhalve al op het niveau van de woorden. Het geven van een naam was al een vorm van duiding en verklaring. Dat had Isidoris van Sevilla tenminste gezegd en sindsdien bloeide de etymologie tijdens de middeleeuwen als een fundamentele wetenschap. Naamgeving was kennis en inbezitneming van de dingen, van de werkelijkheid. [...] Voor de middeleeuwse intellectuelen lag de taal als een sluier over de werkelijkheid. Maar de taal was voor hem ook de sleutel tot die werkelijkheid, het werktuig om die werkelijkheid te bevatten"305. En in de Reynaert wordt het woordspel met verve gespeeld306. Dat begint meteen al bij de proloog. Zegt Willam - de auctoriale verteller - in hs. A39 dat hij zijn verhaal wil vertellen aan diegenen,

     Diet verstaen met goeden sinne,

dan zegt dat niet zoveel. F39 is voor wat dit betreft iets sterker, waar gezegd wordt dat het verhaal bedoeld is voor diegenen,

     Die gaerne plegen der heren

     Ende haren sin daer toe keren307

     Sijn si arme sijn si rike

     Dat si leuen houeslike (F35-38),

hetgeen ook A39 voorafging, maar dat hier - in F39 - gevolgd wordt door: "Dit verstaet in goeden sinne", waarmee de lezer direct aangesproken wordt en dus (voor de goede verstaander) op één hoop gegooid wordt met de lieden voor wie Willam zegt te schrijven, en dat was al heel dubbelzinnig! In hs. B42-44 gaat hij zelfs nog een stapje verder door de raad te geven:

     Mer ic bid v so wat ic toge

     Hoort die woorden ende merct den syn

     Onthout dair leit veel wijsheit in.

in plaats van de frase over het "verstaen in goeden sinne"308.

Dat de stem van Willam ook doorklinkt in wat Reynaert (of een van de andere dieren) zegt, kan mooi geïllustreerd worden door de uitspraak in B683 (en ontbrekend in de andere versies), die zonder bijbedoelingen door Reynaert wordt gedaan:

     Nv ga wi oom enen snellen ganck.

Deze uitspraak is in zoverre merkwaardig, omdat Reynaert Bruun juist verteld heeft, dat hij niet naar het hof heeft kunnen lopen, omdat hij "crancke haue" (A563, F549 en B618) at. Het loopt inderdaad niet zo'n vaart met die ziekte van Reynaert309. Deze knipoog naar de lezer wordt des te duidelijker, daar even tevoren nog gezegd wordt:

     Reynaert sprac hier en dooch geen langer staen

     Hoe qualic dat ic oec mach gaen (B674-675),

en ook dit heeft geen equivalent in de andere versies.

   Voor wie het hele verhaal kent, druipt de ironie af van de belofte die Nobel ten aanzien van Bruun doet, als die dan eindelijk terug aan het hof verschijnt:

     Heer brwn ic en sel v schoon

     Wreken. gi sels my weten danck (B1023-1024),

en alweer ontbreken een equivalent in de hss. A en F.

 

Een zelfde soort grapje, maar dan achter de rug van Bellijn om, is te lezen in B3328, als Bellijn door Reynaert teruggestuurd wordt naar het hof en dan vraagt:

     Sel kuwaert mede te houe gaen,

tegenover A3306-3308 en F3274-3276:

     Hier na sprac belin reynaert

     Wats hu raet wille cuaert

     Met mi weder te houe gaen.

Op het moment dat Bellijn dit zegt, is Cuwaert dood en heeft dus niets meer te willen, zodat "sel" beter op zijn plaats is. Bellijn zelf weet natuurlijk nog van niets. Dit "grapje" komt dan ook voor rekening van de verteller310.

Een heel duidelijke, samenzweerderige knipoog vinden we in A2568-2569 en B2591-2592, als Reynaert het pleit gewonnen schijnt te hebben. Er wordt dan gezegd:

     Reynaerts herte louch so zeere

     Dat ment wel na an hem vernam.

In F2531-2532 ontbreekt in deze regels het - hier m.i. zeer belangrijke - woordje "na". Reynaert laat in hs. F dus openlijk blijken dat hij de anderen in de maling genomen heeft. Reynaert moet echter als veel te slim worden getaxeerd om zich zo te laten gaan.

Wanneer de volgende dag de voorbereidingen getroffen worden voor Reynaerts pelgrimage en afscheid van het hof, krijgt Bellijn de opdracht hem de

     [...] scaerpe van bruuns velle (A2980)311

om te hangen en de "ghetijde" te doen. Als Bellijn dat - aanvankelijk tegen zijn zin, want het was verboden een excommunicant (zoals Reynaert als vitandus is) een "gheles" te lezen312 - gedaan heeft, geeft hij Reynaert ook nog - na ook dat eerder geweigerd te hebben - een "palster". In A2981 staat dat hij die "den fellen gheselle" gaf, wat niet echt als een zinvolle opmerking beschouwd kan worden - ook al weet de lezer c.q. toehoorder meer - aangezien Reynaert juist van juridische aanklacht vrijgesproken is: in F2947 wordt de "palster" door "sinen geselle" gegeven, wat ook merkwaardig is aangezien in het hele verdere verhaal geen sprake is van een "geselle" van Bellijn; in B2979-2980 lezen we eveneens van een "losen gesel", die hem de "palster" geeft, wat even merkwaardig zou zijn als hs. F. Echter, de versregels B2979-2980 kunnen ook een andere lezing opleveren:

     Nv hoort den losen gesel

     Heeft hem gedaen een cleyn palster dair by;

we moeten ons namelijk goed realiseren, dat in het Middelnederlands het woord "hem" wederkerend kan zijn gebruikt. De karakterisering "losen gesel" slaat dan op Reynaert zelf, en dat snijdt hout, want volgens Verdam betekent "loos" o.a. bedrieglijk en schijnschoon313. Reynaert eigent zichzelf hier dus de "palster" toe. Even verderop lezen we in B3000-3001, dat Reynaert graag weg zou willen gaan, omdat hij bang is,

     Also hi hem seluen sculdic wist

     Dus bereide hi hem myt groter list,

in A3002 en F2968 gedeeltelijk geparafraseerd in:

     Als die hem seluen sculdic weet.

In hss. A en F gedraagt Reynaert zich alsof hij schuldig is; in hs. B ís hij schuldig. En het doet er hier niet toe of hij werkelijk iets strafrechtelijks misdaan heeft, Reynaert heeft Nobel voorgelogen en wil daarom weg van het hof uit angst dat Nobel daar achter zou komen. Reynaert gedraagt zich dus naar eigen mening inderdaad "schijnschoon". Wellicht kan met de afwijkingen in de versies in de passage met de palster juist aangetoond worden, dat B de meest authentieke versie heeft. De ambiguïteit zoals die in B2980 terecht is gekomen, is dan niet opgemerkt door de verschillende andere kopiisten, waardoor ieder op zijn eigen manier gepoogd heeft er een logisch geheel van te maken.

   Het idee, dat het woord "losen" in B2979 op Reynaert zelf slaat, wordt versterkt door de passages, waarin Reynaert als pelgrim beschreven wordt. In A3016-3023 en F2982-2989 wordt gezegd, dat een ieder erom moet lachen, hoe "wonderlic" (A3022, F2988) Reynaert eruit ziet. In B3015-3023 wordt gesteld, dat er niemand zo rouwig en droevig zou zijn, of hij zou hebben moeten lachen als hij Reynaert had zien lopen,

     [...] hoe vromelic dat hi ghinck (B3018),

     [...]

     Nochtan liet hem des genoech

     Jn sijn hert hi sere loech

     Dat si alle myt hem gyngen" (B3024-3026).

Vooral voor Bruun en Ysegrim is het niet leuk te zien,

     [...] hoe vromelic dat hi ghinck

     Ende hoe gevensdelic dat hem hinck

     Scerp ende palster om den hals

     Ende sijn scoen als ende als

     Die hi droech aen sijn voeten (B3018-3022).

Omdat hss. A en E in plaats van "gevensdelic" het woord "ghemackelic" en F het woord "gemeenlike" hebben, mag toch wel geconcludeerd worden, dat de schijnheiligheid en de geveinsdheid in hs. B het duidelijkst tot uiting gebracht worden. Ook de vragenderwijs gestelde uitroep in A3054, F3020 en B3054 (terwijl hs. E de bevestigende vorm heeft):

     O wy cuwaert sullen wi sceeden,

draagt hiertoe bij.

   Met de schijnheiligheid van Reynaert wordt eveneens gespeeld bij het gebruik van het woord "scalc". Reynaert klaagt er in B5747-5752 en B6015-6017 bijvoorbeeld over, dat de macht in feite door "scalcke" wordt opgeslokt. In B7664-7668 en B7730-7732 zegt de verteller van Reynaert echter precies hetzelfde. Zo worden de uitspraken van Reynaert over anderen direct op hemzelf toepasbaar314.

 

Natuurlijk mogen we de hand van de meester ook zien in de keuze van persoons-  en plaatsnamen. Zo zien we in de scène, waarin Bruun door de dorpelingen op zijn huid gezeten wordt - en die als situatie al dubbelzinnig geïnterpreteerd kan worden315 - de volgende personen genoemd (waarbij aangetekend kan worden dat de personen uit de hss. A en F vrijwel identiek zijn): "lottram lanc voet" (A785)/"otram lanc voet" (F771), "Vrauwe vulmaerte" (A787)/ "Vrouwe wlmar" (F774), "Abelquac ende mijn vrauwe baue" (A790 en B831)/"Abel ende vrouwe baue" (F775), "Ludmoer metter langher nese" (A793)/"Ludolf mitter langer nese" (F779), "Ludolf metten crommen vingheren" (A796)/"Grindemont mitten langen vingren" (F782), Hughelijn metten crommen beene" (A800 en F786), "vrauwe ogernen" (A803 en F789). "Huge mitten crommen been" (B818), "ludolf mitter breder nese" (B819), "Her bertout mitten langen vingeren" (B824), "oterum lang tee" (B825), "Baerdeloge ende auesoete" (B830), "Vrou Julocke vander after poorten" (B844), "macop die stoppel maker" (B845) en "Lantfeits brueder" (B851), buiten Lantfreit, de pape en diens vrouw316, "vrou Julocke317". Veel van deze namen en bijnamen zijn gemakkelijk op te vatten als seksuele verwijzingen318. De enige persoon, van wie de afkomst vermeld wordt, is overigens Lantfreit:

     Hughelijn metten crommen beene

     Was zijn vader dat weet men wale

     Ende was gheboren van abscale

     Ende was sone vrauwe ogernen

     Eens hout makigghe van lanternen319 (A800-804),

(vrijwel identiek met F786-790 met uitzondering van de laatste regel:

     Ende was een maker van lanternen).

Het moge duidelijk zijn dat de moeder hier seksueel dubbelzinnig omschreven wordt. Hs. B is m.i. in deze geneologische vermelding dan ook sterker:

     Vrou Julocke vander after poorten

     Was sijn moeder. ende sijn vader

     Was. macop die stoppel maker

     Een stout man dair hi was alleen (B844-847),

aangezien hier zowel de moeder als de vader seksueel dubbelzinnig beschreven worden320.

   De "hye" (A1848), oftewel "oey" (B1870) van Bellijn heet in A1848 en F1839 "ha wy", respectievelijk "awi". In B1871 en D1871 heet zij "olewi". In F1838 wordt de relatie tussen Bellijn en "awi" niet duidelijk:

     Ende een die mit hem quam,

terwijl hier juist een aardige spiegeling ontstaat met Bellijn, die immers kapelaan is, met zijn ooi enerzijds, en de pape met Julocke anderzijds. (In D1870 is "olewij" overigens de "moeye" van Bellijn).

  Ook de figuur van de wolvin en de situatie daaromheen is dubbelzinnig voorgesteld. Ten eerste wordt de wolvin in de literatuur al veelvuldig als zedeloos getypeerd, "haar Latijnse vorm lupa betekent zowel 'wolvin' als 'hoer'321. De wolf bevestigt met zijn optreden wat het publiek al van de wolvin denkt als zij zegt, dat Reynaert zijn “wijf heuet verhoert” (A73, F73). Maar hij wil natuurlijk niet in het openbaar erkennen dat Reynaert het liefje is van zijn vrouw. Zijn hele aanklacht berust op aanranding en niet op overspel. Hij zou zich als wolf met hoorntjes op alleen maar belachelijk hebben gemaakt322.

   Wat hij vervolgens in A1977-1984 en F1969-1975 tegen zijn vrouw zegt past bij die dubbelzinnige situatie. Terwijl hij betoogt dat zijn vrouw Reynaert goed vast moet houden bij zijn baard (A1980, F1972 en B1987) - volgens Kuiper 1980 (p. 131) een hoerige handeling -, staat hij tegelijkertijd het huwelijk van de beide geliefden in te zegenen323. "Bovendien zal een voordrager die de dubbelzinnigheden kent die hebben doen uitkomen, terwijl bij lectuur veel verloren zal gaan en soms móet gaan als lijf en lief anders worden gespeld." volgens Lulofs (1983, p. 250). Hij verwijst vervolgens naar Van Caenegem (1954, p. 97-101) die stelt dat een ter doodveroordeelde van de galg 'verbeden' kon worden door een meisje dat met hem wilde huwen, "en dat gold in het bijzonder in het geval van aanranding als het slachtoffer de geweldpleger als echtgenoot wenste te aanvaarden324".

 

Voor wat betreft dubbelzinnige plaatsnamen325 kan naast het reeds in de vorige paragraaf genoemde "kriekeputte", volgens Hellinga (1952b, p. 24), gewezen worden op de naam "elmare": "Het Mnl. Wb II 615 vermeldt een zeldzaam woord elle: rivalis, pelex; en verwijst naar Horae Belg. VII, 19: 'die bi een anders vrindinne leghet'. Ik vermoed daarom dat de heren van Elmare in de Reynaert, bij alles wat hen verder nog mag worden toegeschreven, tevens zoiets als 'de heren van "Casanova-welbekend" zijn. Dit verklaart dan bovendien de anders volkomen in de lucht hangende opmerking van Reynaert, dat hij ook zelf 'een van Elmare' is geweest. Bedenken wij dat hij daarbij als frère et compagnon zijn 'vriend' IJsengrijn noemt, die hij notabene zelf bedroog met Hersent, dan kunnen wij begrijpen hoe het plezier, aanvankelijk aan de tafel van de heren kenners en later onder het publiek op de markt, door de middeleeuwen gebulderd heeft".

   Een derde plaatsnaam met dubbelzinnige betekenis zou gevonden kunnen worden in "portegale" (A599, F585 en B650) in verband met het avontuur van Bruun. "Portegale" kan namelijk, naast de plaatsaanduiding van het Zuid-Hollandse dorp, een aanduiding zijn voor het aarsgat (de poort die kan zingen)326, en Bruun krijgt het bij het honing stelen behoorlijk te verduren, te vergelijken met de "ontscoeing" van Hersinde.

 

In het Bruunverhaal komt verder een zodanige dubbelzinnig doorgevoerde woordkeuze voor, dat hier wellicht gesproken zou kunnen worden van een "Leitmotiv". Het is opvallend hoe vaak in het gedeelte van de tekst waarin Bruun Reynaert indaagt de woorden "honen"/"honich" en "raet"327 gebruikt worden, die beide kunnen referen aan wat Bruuns ondergang wordt: het willen hebben van honingraten!328 Uiteraard is deze dubbelzinnigheid in de woorden voor Bruun zelf weer ondoorzichtig.

   De eerste keer dat we een van deze woorden in eventueel dubbele betekenis tegenkomen, is even voordat Bruun naar Mapertuus vertrekt. In hs. B512-513 waarschuwt de koning hem al:

     Want reynaert is fel ende quaet

     Ende weet mennigen losen raet,

gevolgd door:

     Mach hi.hi sel v bedriegen

     Ende honen of te schern driuen (B515-516, A488 en F474).

Doch Bruun slaat de waarschuwingen in de wind en zegt zelfs:

     So geeff my god ongeual

     Off my reynaert yet honen sal (B518-519, A490-491 en F476-477)329.

En dan gaat Bruun vol goede moed op weg, niet alleen niet bang,

     Datten reynaert honen soude (B526, A501 en F487),

terwijl zijn mishandeling door de dorpelingen juist alles te maken zal hebben met "honichraten", maar zelfs nog in staat zelf een dubbelzinnigheid ten beste te geven, zoals Arendt 1965, p. 210-211, opmerkt: "Zeile 532 bedeutet nicht allein: 'Reynaert, tut, was ich Euch rate'; zugleich benutzt Bruun diese freundliche Wendung um einen sehr unfreundlicheren Wunsch auszusprechen: 'Reynaert, macht, daß ich Euch rädere!330'"331

   Als Reynaert Bruun dan voor zijn kasteel ziet verschijnen, denkt hij er diep over na,

     Hoe hi vonde sulken raet (A543 en F529)332;

en als hij hem dan tegemoet treedt, is het in A548 met de woorden:

     Huwes goets raets hebbet danc,

wat in F534 geparafraseerd wordt in:

     Vwes goedes rades hebt danc333,

en dan begint hij te vertellen dat hij ziek geworden is van het eten van honing. In zijn inleiding daarop zegt hij:

     Hadden wijs raet dat wi node haten

     Goeder versscher honich raten (A567-568 en F553-554),

wat in B622-623 een equivalent heeft in:

     Wisten wi raet dat wi nootste aten

     Grote varssche honich raten.

Bruun vertelt daarop ondubbelzinnig dat hij honing de lekkerste spijs vindt die er bestaat en dat hij Reynaert zal "minnen" (in hss. A en F) en zijn getrouwe vriend zal zijn (in hs. B),

     Mach ic des honics bi v gewinnen (F570; ongelukkig dubbelzinnig geformuleerd),

of zoals het in B637 staat:

     Jst dat gi my vanden honych dient

(in hs. A ontbreekt het woord "honich").

   Reynaert zegt dan geveinsd (?) ongelovig:

     Of ghi honich moghet heten (A589 en F575)

of:

     Dat segt my mooch di honich eten (B642).

Bruuns antwoord luidt, dat hij alles op zou eten,

     Haddic al thonich dat nu es

     Tusschen hier ende portegale (A598-599, F584-585 en B649-650),

waarbij men dus dient te bedenken dat deze plaatsaanduiding dubbelzinnig gebruikt kan zijn, waardoor deze zinsnede opeens een geheel andere betekenis zou kunnen krijgen. Reynaert vertelt daarop in A603 en B654 (in F589 ontbreekt het woord "honich"), dat Lantfreit

     Heuet honich so vele

en Bruun zal een goede vriend van Reynaert zijn,

     Wildine honichs maken zat (A610, F596 en B661),

waarop Reynaert reageert met:

     Verghaue god dat mi nu ware

     Also bereet een goet gheual

     Alse hu dit honich wesen sal (A616-618 en F602-604),

terwijl het antwoord in B666-667 luidt:

     Ende sprac oom wair v also na by

     Dusent nobel als die honich sy.

Later zegt hij tegen Bruun (B685-686; in de hss. A en F ontbreekt in deze passage het woord "honych"):

     Jc sel v dess honychs maken zat

     Van also veel als gi moget dragen.

Reynaert leidt Bruun dan naar de gekliefde boom en zegt, dat daarin

     Es honichs vtermaten vele (A661, F647 en B712).

Hiervoor komt in A642 en F628 het ondubbelzinnig gebruikte "honich stelen" voor en later, in A665, F651 en B716 het op het eerste gezicht eveneens ondubbelzinnig gebruikte "honich raten" (of kan dit misschien betekenen: raad om te laten honen?).

En als Bruun dan vastgeklemd zit, vraagt Reynaert hem in B758:

     Brwn ist honich goet hoe staet?

Daarna laat hij hem achter en gaat zijns weegs. Als hij bij de rivier opnieuw op de beer stuit, vraagt hij hem opnieuw:

     Wast honich oec van goede smaeck (B965)?

   Pas in hs. F1775 vinden we een volgende verwijzing naar de honingdiefstal. Reynaert duidt zijn vijanden hier aan met "Die honich scalkers". Deze benaming is echter slechts op Bruun van toepassing; de andere dieren hebben nooit honing gegeten. In de hss. A en B ontbreekt deze karakterisering dan ook.

 

Een ander motief dat het gehele verhaal door een rol van betekenis speelt (en waar anderen eerder uitvoerig op gewezen hebben) is de hekeling van de geestelijkheid334. Ook in dit motief is een knipoog van de schrijver te vinden die voor grotere authenticiteit van hs. B zou kunnen pleiten. Als Reynaert hem namelijk voorstelt de "brieven" naar Nobel te brengen, loopt Bellijn blindelings in de val, die Reynaert voor hem opstelt. Bellijn zorgt er niet alleen voor dat Reynaert van de moord op Cuwaert verschoond wordt, hij bedankt Reynaert er zelfs voor in F3264-3270 en B3316-3322:

     Bellijn sprac doe reynaert here

     Nv wetic dat gi doet ere

     Jc sal uallen in groten lof

     Bi v alsemen in dat hof

     Sal seggen dat ic wel can dichten

     Mit sconen worden ende mit slichten

     Alsi dat ics niet en can.

In hs. A3296-3302 is hetzelfde te lezen, alleen komt het hier uit Reynaerts mond:

     DOe sprac reynaert belin heere

     Nu weetic wel dat ghi doet eere

     Hu seluen ende die zijn int hof

     Men saels hu spreken groeten lof

     Alsmen weet dat ghi coont dichten

     Met sconen woerden ende met lichten

     Alsi dat ics niet ne can.

In hs. A krijgt Bellijn dus geen knauw omdat hij als geestelijke niet zou kunnen schrijven. Wel is het vreemd, dat Reynaert dat hier van zichzelf zou zeggen, want daar is geen enkele noodzaak toe. Reynaert hééft de "brieven" immers "geschreven"! In de hss. F en B wordt het publiek wel duidelijk gemaakt, dat Bellijn niet kan schrijven en bovendien dat hij het wil doen voorkomen alsof hij dat wél kan. In hs. B wordt Bellijn zelfs nog doortrapter door meteen hierna te verkondigen:

     Men seit dic dat mennich man

     Eer is gesciet want hem god goste

     Van saken die hi selue niet en woste (B3323-3325),

met weer een knipoog in B3325! Weliswaar komt deze passage ook voor in F3271-3273 (zonder de knipoog):

     Men seit ets menich man

     Goet gesciet des hem god onste

     Jn saken die hi luttel conste,

maar doordat F3274 vervolgt met: "Hier na sprac bellijn [...]", is het niet voor de volle 100% duidelijk of hier nu Bellijn of de auctoriale verteller aan het woord is.

   Kijken we resumerend naar de behandelde dubbelzinnigheden in de tekst (en de knipogen achter de ruggen van de figuren om), dan blijkt m.i. toch ook hier dat die in hs. B beter geslaagd zijn, maar vooral consequenter doorgevoerd, terwijl met name die ten aanzien van de verborgen schat, de plaats Kriekeputte en het in de maling nemen, c.q. waarschuwen van Bruun veel consistenter dan die in de andere versies.

 

Vorig hoofdstuk: III Reynaerts dubbelzinnighedenVolgend hoofdstuk: DEEL IV: HET MOTIEF VAN DE ONDERLINGE VERHOUDINGENIV Reynaerts relatie tot de andere dieren in het verhaal