Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

IV.1.3. Van aangeklaagde tot aanklager

Niet alleen in de motieflijnen die de verhouding tot de koning en de koningin behelzen is een ontwikkeling te zien, ook in Reynaerts verhouding tot de andere dieren is dat het geval.

   Reynaert is waarschijnlijk toch naar het hof gekomen in de veronderstelling dat hij aan het ten laste gelegde onschuldig bevonden zal worden - anders is het al helemaaal onbegrijpelijk dat hij dit risico neemt en wacht met in de "woestine" te vluchten -, al weet hij blijkens B1770-1772, A1749-1752 en F1738-1740 ook wat voor vlees hij aan het hof in de kuip heeft:

     Och hoe zeer beefde reynaet

     Doe hi ten houe began te naken

     Daer hi zeer in waende mysraken.

   De zaken pakken dan ook anders uit voor hem.

   In A1764-1767, F1752-1755, B1782-1785 en D1782-1785 gedraagt hij zich nog:

     Ghelijc of hi sconinx sone ware

     Ende hi niet en hadde mesdaen

en hij beëindigt er zijn inleiding met de mededeling dat hij de koning altijd trouw gebleven is362,

     Dat es dicken worden anschijn (A1777, B1795 en D1795)363,

terwijl F1765 hier heeft:

     Dat is dicke worden in scijn,

wat minder voor de hand liggend is, aangezien hij daarmee de poten onder zijn eigen stoel zou wegzagen.

   Dan gaat Reynaert in de aanval364. Hij stelt dat er aan het hof dieren zijn, die hem 's konings hulde zouden willen roven. Het sterkst wordt dat tot uitdrukking gebracht in de hss. B1798 en D1798, waar Reynaert vertelt dat ze dat zouden willen doen

     Mit logen woudijs hem gelouen.

Dit gevoegd bij de benamingen die Reynaert die dieren geeft, "den scalken ende den fellen365" (A1789, F1771, B1801 en D1801) werpt dat een verrassend licht op de situatie. Deze benamingen worden meestal voor Reynaert gereserveerd, die nu een fantastische leugen gaat vertellen om zich aan de galg te onttrekken. Hij probeert de rollen om te draaien en van zijn aanklagers de "scalken" en "fellen" te maken. In het vervolg van B, B4322-4342, gebeurt iets dergelijks opnieuw, al noemt hij zijn tegenstanders hier: "die lose myt valschen treken" (B4376)366.

   Bruuns aanklacht van mishandeling kan hij gemakkelijk pareren. Die heeft het zichzelf aangedaan toen hij wilde gaan stelen. Het verlies van een oor kenmerkt hem als dief367. Ook de aanklacht van Tybeert levert geen problemen op. Zijn gehavende aangezicht doet hem duidelijk kennen als een gestrafte opstandeling368. Dat Reynaert in F1826 spreekt over "mine misdaet", is dan ook veel onlogischer dan het algemenere "saken" of "sake" van A1836, B1858 en D1858. Ook is het onlogisch dat hij zichzelf in het openbaar zou aanduiden met zijn negatieve bijnaam "den fellen roden" (A1943) of "den roden" (F1934)369, waar hij zichzelf in B1971 slechts "v neue" noemt. Met deze laatste benaming benadrukt hij de relatie met Ysegrim en Bruun, die hem moeten gaan opknopen370.

   In hs. B1896-1897 is het inmiddels al duidelijk geworden, dat Reynaert onschuldig is. Wordt van de procesgang in A1869-1870 gezegd:

     Nye hoerde man van dieren

     So scone tale als nu es hier

en in F1862-1863:

     Noch inne sach man van diren

     Alse.scone tale als was hijr;

in B1896-1897 staat:

     Nye en quam man die ye hoord

     Scoonre ontscout ende meerre clage,

waaruit duidelijk Reynaerts onschuld spreekt.

   Als Reynaert Ysegrim, Bruun en Tybeert al dan niet buiten gehoorsafstand gezonden heeft en van de koning gedaan krijgt dat hij in het openbaar mag biechten, beschuldigt hij vooral Ysegrim van allerlei vergrijpen en misdaden. Zo zou Ysegrim hem voorgerekend hebben dat hij zijn oom was371 en verder zegt hij in de hss. A2105, F2088 en B2132:

     Hi stal tgroete ende ic dat cleene,

en ook dan nog wordt Reynaert benadeeld door de wolf:

     Alse ysingrijn beiaghede een calf

     Of eenen weder of eenen ram

     So grongierdi ende maecte hem gram

     Ende toechde mi een ghelaet

     Datso zuer was ende so quaet

     Dat hi mi daer met van hem verdreef

     Ende hem mijn deel al gader bleef

     Nochtan hachtic niet van dien

     So menich waeruen hebbic versien

     Alse wi een groete proye lagheden

     Die ic ende mijn oem beiagheden

     Eenen osse of eenen bake

     Doe ghinc hi sitten met ghemake

     Met sinen wiue vrauwe harsenden

     Ende met sinen .vij. kindren

     Sone mochtic cume deene hebben

     Van den alre mintsten rebben

     Die sine kindre hadden ghecnaghet (A2110-2127, F2092-2109 en B2137-2150),

al ontbreken in hs. B de passages waarin hij over Ysegrim als over zijn "oem" spreekt en is er sprake van "haers neuen kijnder" in B2146.

   Alle diefstallen, die Ysegrim en Reynaert samen gepleegd hebben, passeren de revue en in alle gevallen is het Ysegrim die er met het grootste gedeelte van de buit vandoor gaat. Reynaert is telkens de bedrogene. In de hss. A2095-2128, F2078-2110 en B2122-2151 wordt Ysegrim zo voorgesteld als de schurk! En doordat Bruun aan dezelfde kant staat, kan Reynaert zeggen, als hij vertelt dat Bruun koning moest worden in plaats van Nobel372:

     Jc kenne brunen valsch ende quaet (A2329),

of:

     Jc kende brunen scalc ende quaet (F2297 en B2356),

waarmee de omkering zich voor wat Bruun en Ysegrim betreft voltrokken heeft. En hij voelt zich sterk, maar vooralsnog moet hij toneel blijven spelen en horen/lezen we een tegengestelde echo van B1770-1772, A1749-1752 en F1738-1740 in B2227-2228:

     Doe beefde reynaert dair hi stoet

     Jn enen geueysden schijn van vresen.

Zij hebben hem beschuldigd; hij stelt hen nu in staat van beschuldiging! Die nieuwe rolverdeling gebeurt in hs. B2476 als Reynaert zijn vader aan Bruun, Ysegrim, Tybeert en Grimbeert zijn avonturen in het land van "sassen" laat vertellen met:

     Dit telde hi den vier felle verrader,

waarbij de vier het bijvoeglijk naamwoord krijgen dat meestal voor Reynaert zelf gebruikt wordt373. Dat Reynaerts vader zich verhangt nadat die ontdekt heeft dat zijn schat gestolen is, trekt Reynaert zich persoonlijk aan:

     Doe dede hi dat ic lange mach clage

     want hi van toorn hem seluen hynck (B2499-2500),

maar even verderop lezen we:

     Ende ic heb mijn vader begeuen

     Om den coninc te behouden sijn leuen (B2508-2509),

wat in de hss. A en F ontbreekt.

   Dat Reynaert voor Ysegrim zelfs in de ban gedaan is (A2715-2716, F2686-2687, B2732-2733 en E2686-2687) maakt Ysegrims rol in het geheel alleen maar negatiever en Reynaert komt eens te meer als bedrogene te voorschijn, omdat zijn raad het klooster te ontvluchten volgens hs. B2731 ingegeven is door de (in deze versie) door Ysegrim voorgerekende familieband.

 

Dat Reynaert Bruun en Ysegrim voor zijn pelgrimsreis gedeeltelijk laat "vermaken" tot tas en schoeisel374, ligt geheel in het verlengde van Reynaerts aard. Als hem de kans geboden wordt, zal hij een ander altijd benadelen. Bruun en Ysegrim zijn als samenzweerders tegen de koning ten tonele gevoerd en mogen dus bestraft worden. En nu Hersinde ook nog in zijn macht is, zal hij haar ook maar even te grazen nemen!375

   Later, in het vervolg van B, is Reynaert zelfs zo zeker van zijn zaak, dat hij zeggen kan:

     Mach yement enich ander dingen

     Mit goeden tugen op my bringen

     Als men billix sel doen enen edelen man

     Lat my na recht beteren dan

     Off willen sijs my doen geen verdrach

     Men set my velt ende dach

     Ende enen goeden man tegen my

     Die my gelijc geboren sy

     Ende laet ellic dair sijn recht bekynnen (B4617-4625).

   Verder neemt Rukenau in dit vervolg de rol van advocate op zich. Ze zegt van zichzelf:

     Mi sijn die pvnten van recht wel cont

     Bet dan die sulcken die dragen bont

     Want ic dair so veel off heb geleert

     Dat ic dair in was gefundeert

     Een verheuen meyster in loye (B4746-4750),

en past vervolgens dezelfde strategie toe als we van Reynaert gewend zijn, bijvoorbeeld in B5046-5059, waarna Reynaert zelf het woord weer voert en ook dan stelt hij het zo voor dat zijn tegenstanders de leugenaars zijn (B5309-5312). Algemeen zegt Reynaert in B5874-5881 in zijn weerwoord, naar aanleiding van een opmerking van Ysegrim:

     Wair men den scalc laet risen

     So gaet te niet recht ende eer

     Het is mennich die enen anderen zeer

     Wil doen ende sijn gebrec verswaren

     Mer soude hi hem seluen claren

     Te grond hi souds meer aen hem vijnden

     Dair om seit men en tis waer

     Wie scelden wil sel wesen claer.

   Ook de beschuldiging van de moord op Cuwaert probeert hij van zich af te praten (B5908-5918), hetgeen uiteindelijk ook lukt (B6179-6184), waarna hij iedereen op zijn hand krijgt (B6199-6202). Ook Nobel en zijn vrouw, blijkens B6203-6213!

   Maar dan, vanaf B6251, neemt het verhaal plotseling een laatste beslissende wending: Ysegrim valt Reynaert opnieuw aan en beschuldigt hem van een winterse verkrachting van Hersinde, waarna zowel de wolf als de wolvin door de dorpelingen afgetuigd werden (B6264-6335) en Reynaert probeert zich hieruit te redden door Hersinde zelf als getuige te laten optreden (B6400-6404), maar dat pakt anders uit dan hij verwacht had. Hersinde is namelijk geenszins van plan iets in Reynaerts voordeel te zeggen. Integendeel, ze weet ook nog wel wat staaltjes van zijn streken te vertellen in B6405-6435. Ysegrim wil daarna zelf ook nog een duit in het zakje doen, door te vertellen dat Reynaert hem met de apin bedrogen heeft, doch verspeelt die kans door Reynaert aan het woord te laten (B6449-6710). En die weet het natuurlijk weer zo te draaien, dat de aframmeling die Ysegrim in het apenhol krijgt zijn eigen schuld is - sterker nog: Ysegrim zou zonder Reynaert aldaar van honger gestorven zijn (B6615-6617) - omdat hij Reynaerts raad de apin te vleien niet opvolgt. Onomwonden zegt hij:

     Men moet om beters wil bi tiden

     Liegen ende die waerheit myden (B6703-6704).

   Ysegrim wordt woedend, zeker na het treiterige:

     Vraecht hem oft also geuel

     Hy was dair so na hi wetet wel (B6708-6709),

en na een lange tirade waarin alle oude beschuldigingen opnieuw aan de orde komen, daagt hij Reynaert uit tot een tweegevecht (B6713-6741) om de vete voor eens en altijd te beslechten376.

   Deze nieuwe herverdeling van rollen - Reynaert is niet de uitdager, maar de uitgedaagde geworden - wordt teniet gedaan door Reynaerts uiteindelijke overwinning. En Reynaert wordt dan alle gelegenheid geboden zich als slachtoffer te manifesteren in B7446-7458 en C7440-7452:

     HEer sprac reynaert my genuecht wel

     Mer ic vant hier mennich op my fel

     Doen ic hier aen v hoff eerst quam

     Die nye scade van my en nam

     Mer om dat hem luden docht

     Dat men best ouer my mocht

     So riepen si mede ouer my scade

     Also mijn vianden daden

     Ende om dat hem docht dat ysegrim

     Bet myt v was dan ic mocht sijn

     Anders wair om en wisten si niet

     Sy en dochten niet als die wise pliet

     Wat dair off mocht bliken.

In B7566-7591 en C7561-7586 wordt Reynaert geheel gerehabiliteerd.

 

Vorig hoofdstuk: IV De verhouding tot de koninginVolgend hoofdstuk: IV Het spel met de aanspreekvormen