Log inRegister
An error has occurred:

Click anywhere to continue...
Part:
Chapter:
Download hier de bijlagen:

IV.2. Het spel met de aanspreekvormen

Het gehele verhaal, alle motieflijnen incluis, wordt gedragen door de dieren die erin meespelen. In de onderlinge communicatie laten zij onder andere zien in welke positie zij ten opzichte van elkaar staan. Opvallend daarbij is, dat die posities blijkbaar kunnen veranderen. Dat geldt niet alleen voor wat betreft de rol die gespeeld wordt, ook in de manier waarop de dieren elkaar bejegenen: soms positief, dan weer negatief. Reynaert wordt bijvoorbeeld helemaal niet altijd slecht tegemoet getreden. Door zijn verwanten wordt de vos - natuurlijk - altijd positief benoemd, maar ook door anderen in situaties, waarin van Reynaert iets verkregen zou kunnen worden. Wackers (1986, p. 249) heeft voor Reynaerts historie onderzocht op welke manier de dieren over Reynaert spreken en een van zijn belangrijkste conclusies is, dat het gesproken woord van groot belang is voor de structuur van de tekst377. Arendt had eerder al betoogd, dat de "Funktion der wörtlichen Reden im Reynaert ist [...] die Selbstdarstellung, die zur satirischen Entlarvung führt"378. En hij roemt op p. 125-127 Willem erom, dat hij "seine Worte nach der Situation wählt". Dit naar aanleiding van de benamingen van het vossenhol in de diverse situaties en Reynaerts taalgebruik ten opzichte van Hermeline: "Reynaert redet seine Gattin mit 'u' und 'vrauwe Hermeline' an und nimmt mit 'hoofschen woorden ende met sconen' (A1422, F1410, B1464: 'Mit sueten woorden ende sconen'), die diesmal völlig aufrichtig sind 'an de sine orlof'" (A1423, F1411 en B1465). Ook Lulofs heeft er in een eerdere publicatie al op gewezen, dat het gebruik van de aanspreekvormen een belangrijk object van onderzoek kan zijn379. Zo komt Lulofs 1967, p. 248, tot het vermoeden dat er in de middeleeuwse literaire traditie verhoudingen geschetst worden "waar afhankelijkheid een relatie schept die niet met het gebruikelijke hoofse ghi uitgedrukt kan worden", maar waar dat met du gebeurt380. Maar ook de aanspreekvormen in de zin van benamingen - waar Lulofs noch Arendt381 het over hebben - blijken belangwekkende onderzoeksresultaten op te leveren382.

Grofweg kunnen we een tweedeling in de aanspreekvormen - waaronder we ook de aanspreektitels laten vallen - aanbrengen: die welke een zekere eerbied uitdrukken en die welke een zekere familiariteit uitdrukken383. De eerste soort wordt ten eerste gebruikt om uit te drukken dat het aangesproken personage in de hiërarchie boven de gebruiker van deze aanspreekvormen staat384; ten tweede wordt ermee uitgedrukt dat men in een afhankelijke relatie verkeert met de aangesprokene, waarbij deze aanspreekvormen dan een zekere vleifunctie kunnen hebben385. De tweede soort wordt gebruikt voor personages (dieren), die op de hiërarchische ladder onder de spreker staan en voor dieren die men in zijn macht heeft386. Dit laatste kan dan een uiting zijn van neerbuigendheid. Het moge duidelijk zijn, dat de aanspreekvormen niet in alle gevallen vaststaan. Een dier kan dan eens met de ene en dan eens met de andere vorm aangesproken worden, waardoor een zeker spel ontstaat, dat verteller en lezer samen moeten spelen om de relaties tussen de dieren fijn te kunnen doorgronden.

   Ten einde het gebruik van de aanspreekvormen te onderzoeken, verdelen we de tekst in scènes en aangezien Reynaert de centrale figuur in het verhaal is (en buiten hem nauwelijks sprake kan zijn van een spel387), zullen we ons voornamelijk beperken tot die scènes, waarin Reynaert handelend en sprekend optreedt388. Telkens zullen we in deze scènes onderzoeken hoe de dieren elkaar aanspreken389 en welke conclusies daaruit kunnen worden getrokken.

 

 

Scène 1: De indaging door Bruun

 

De eerste scène waarin Reynaert handelend en sprekend ten tonele gevoerd wordt, loopt van A497, F483 en B524 tot en met A960, F946 en B984. Hoofdrolspelers in deze scène zijn Bruun en Reynaert. De auctoriale verteller duidt beide dieren alleen met hun naam aan. Slechts tweemaal wijkt hij hiervan af. Hij noemt Reynaert "neve" en Bruun "oem" in A684, F670 en B735390. De tweede keer gebeurt het in A703 en F689, waar over Reynaert gezegd wordt,

     Hoe hi sinen oem ghinc rampineeren.

 
A. Bruun als sprekend personage t.o.v. Reynaert

Bruun noemt Reynaert in deze scène beurtelings "reynaert" en "neve", terwijl Reynaert de beer wisselend "bruun" ("heer bruun") of "oom" noemt. Bekijken we het verloop van het gebruik van de aanspreekvormen van Bruun en Reynaert ten opzichte van elkaar, dan zien we, dat Bruun Reynaert telkens met "neue" aanspreekt, als hij iets van hem gedaan wil hebben391. De ene keer vraagt hij zijn hulp, de andere keer stelt hij hem gerust om te voorkomen dat die hulp weer ingetrokken wordt. Hs. B is in deze scène zeer consequent. Bruun begint met Reynaert bij zijn naam te noemen. Hij moet Reynaert indagen en heeft niets van hem te verwachten dan vijandigheid. Als er in het begin van deze scène al iemand is die de ander te vriend moet zien te houden, dan is dat Reynaert392. Als Reynaert hem echter van de honing vertelt, blijft Bruun nog even in die rol als hij ongelovig uitroept, dat Reynaert niet van honing zou houden (A575, F561 en B628). Vervolgens probeert hij die honing te bemachtigen en in hs. B spreekt hij Reynaert dan consequent aan met "neue", met uitzondering van B647 (en A596 en F582), waar hij boos uitvalt tegen Reynaert:

     Reinaert hout uwen mont van desen.

Bruun twijfelt hier bovendien mogelijk aan Reynaerts woorden. Overdrijft hij niet? Deze uitzondering in hs. B is hiermee (door die boosheid en die twijfel) verklaarbaar geworden, de andere uitzonderingen in de overige versies (A580 en F566; A586 en F572; A670 en F656) zijn dat niet.

 

B. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Bruun

In hs. B begint Reynaert ermee Bruun met "oom" aan te spreken, hetgeen logisch is, want de indager is de vijand die gepaaid moet worden. Reynaert moet proberen Bruun aan zijn zijde te krijgen393. Totdat Bruun in de val vast zit, houdt Reynaert die "oom"-zeggerij vol in hs. B. Daarna heeft hij niets meer van de beer te verwachten, sterker zelfs: hij gaat ervan uit dat Bruun in het gevecht met de dorpelingen het leven wel zal laten en dan pas spreekt hij hem in hs. B voor het eerst aan met gewoon "bruun". In de hss. A en F wordt de poging tot paaien weergegeven door de aanspreektitel "Heere bruun"394. Als Bruun op Reynaerts verhaal ingaat, verandert dat subiet in "bruun", slechts onderbroken in A606 en F592, maar hier vraagt hij hem dan ook om zijn voorspraak te zijn bij Nobel. In hs. A gaat Reynaert dan verder met "bruun", in hs. F wordt het "Her bruun" nog even volgehouden, wellicht om de beer niet meteen voor het hoofd te stoten. In hss. A, F en B waarschuwt Reynaert zijn "oem" matig te zijn om te voorkomen dat hem iets zal overkomen. Als Bruun dan vastgeklemd zit, wordt de ongelukkige in de hss. A en F nog steeds met "oem" aangesproken, terwijl in hs. B hier juist de vorm "Brwn" gehanteerd wordt.

   Voor het verschillend gebruik van de aanspreekvormen is in elke versie een plausibele verklaring te vinden. Desondanks heeft de versie van tekst B de voorkeur. Niet alleen omdat de aanspreekvormen van Bruun ten opzichte van Reynaert in hs. B de voorkeur al hadden, maar vooral omdat de spiegeling zo mooi is. Reynaert wordt door Bruun gepaaid door gebruik van het woord "neue" en Bruun wordt op zijn beurt door Reynaert gepaaid door middel van het gebruik van "oom"395. Gebruikt bovendien de auctoriale verteller deze aanspreekvormen in A684, F670 en B735, alsmede in A703 en F689 niet ironisch? Voor deze ironische passages komt in hs. A het woord "neve" slechts eenmaal voor en het woord "Oem" tweemaal, erna komen we nog een keer het woord "Oem" tegen en wel in de regel direct volgend op A703. In hs. F komt het woord "neue" eveneens slechts een keer voor deze ironisch bedoelde passages voor en ook eenmaal het woord "oem", na deze passages zien we het woord "Oem" - net als in hs. A - nog een keer, in de regel volgend op F689. In hs. B daarentegen vinden we het woord "neue" driemaal en het woord "oom" achtmaal voor de ironische auctoriale passages, erna worden deze aanspreektitels in hs. B niet meer gebruikt in deze scène. Het geringe voorkomen van deze woorden in de versies A en F doen zeker geen recht aan het ironische gehalte van de auctoriale passages.

   Gaan we ervan uit dat de ironische passages authentiek zijn - en dat doen we mede op grond van het feit dat juist de hss. A en F twee van die passages hebben -, maar dat de kopiist het spel met "Heere bruun" tegenover "bruun" hier mooier vond, dan is meteen verklaarbaar dat A704 en F690 in tegenstelling tot B758 het woord "Oem" gebruiken in de situatie waarin Bruun vastzit en door Reynaert gehoond wordt. Uiteraard kan hier geen sprake zijn van in de aanspreektitel uitgedrukte eerbied, tenzij ook dit ironisch bedoeld is. De kopiist van de versies A en F had deze aanspreekvormen misschien wel nodig om de ironie nog enigszins te laten werken. De kopiist van hs. B had dit niet meer nodig en kon zich houden aan het schema waarin Bruun nu niet meer met "oom" aangesproken diende te worden, daar Reynaert daarmee geen voordeel meer kan behalen. Ironie werkt pas als het om herkenbare begrippen gaat!!!

   Inhoudelijk valt nog op te merken, dat het merkwaardig is, dat Reynaert in de hss. A en F een gesprek van 82 regels met Bruun houdt alvorens deze welkom te heten. In hs. B heet Reynaert Bruun meteen aan het begin van het gesprek welkom.

 

 

Scène 2: De indaging door Tybeert

 

Ook in de samenspraak met Tybeert wordt wisselend gebruik gemaakt van aanspreekvormen. Ook hier is wellicht een spel te ontdekken, analoog aan het spel met de aanspreekvormen van en ten opzichte van Bruun.

 

A. Tybeert als sprekend personage t.o.v. Reynaert

Als eerste item wordt in deze scène het probleem van de maaltijd aan de orde gesteld, waarbij het is niet voor 100 % duidelijk wie in A1111 en B1133 aan het woord is396. Is het Tybeert, die zegt zich om het eten bezorgd te maken? Of is het Reynaert, die gaat vertellen wat hij te eten heeft? In het laatste geval zou in B1133 dan het woord "sprac" weggevallen moeten zijn, zoals in B1095 ook al het geval was. Als Tybeert in de hss. A1111 en B1133 aan het woord is, heeft dat vergaande consequenties. Dan maakt Tybeert zich namelijk (terecht) zorgen om het eten, zoals hij in A1111 ook al zelf zegt, want hij vervolgt dan met:

     Hier es der spijsen quaden tijt

     Ghi mocht heten begeerdijt

     Een stic van eere honich raten (A1112-1114 en B1134-1136).

Tybeert is dan ironisch en bedoelt eigenlijk: hou je honingraten maar! Reynaert gaat daar dan op in, de ironie (quasi) niet opmerkend, en vraagt of Tybeert zeker weet honing te willen hebben, waardoor Tybeert wel gedwongen is iets anders te noemen dat hij zou willen eten. Hij komt dan met de voorwaarde muizen te willen eten. Deze ironie zou zeker aan het "vroede" karakter van Tybeert recht doen, al is Reynaert natuurlijk nog veel "vroeder". In de hss. A1111 en B1133 zou het woord "neve" dan eveneens ironisch gebruikt zijn, en dat kan alleen het geval zijn, als dat woord inderdaad iets bepaalds uitdrukt, waarmee voordeel behaald zou kunnen worden. Net als in scène 1 bij Bruun het geval was, kunnen we de gemoedstoestand van Tybeert wat dit betreft perfect volgen, als we tenminste hs. B blijven volgen.

   Als Reynaert serieus op Tybeerts vraag wat er te eten is, ingaat en zegt wel muizen te weten, verandert Tybeert van houding. Nu er iets voor hem te halen is, begint hij Reynaert terstond met "neue" aan te spreken. Als Reynaert echter doet of die hem niet gelooft, wordt hij boos en zegt in hs. B1155:

     Reynaert maect des een gestille.

In hs. B1170, nadat Reynaert opnieuw geopperd heeft dat Tybeert hem voor de gek houdt, noemt hij de vos eveneens alleen bij naam:

     Jc en doe reynaert bi mijn wet,

maar als Reynaert dan daadwerkelijk op pad blijkt te willen gaan, is het weer "Reynaert neue" (B1177) en ook bij de schuur van de "pape" aangekomen, waar Tybeert (waarschijnlijk Bruun indachtig) aarzelt, spreekt hij de vos aan met: "Reynaert neue" (B1212).

   In hs. F wordt Reynaert - voor wat deze scène betreft - nooit met "neue" aangeduid, behalve auctoriaal in F1148. De reden dat dat hier gebeurt, blijft vooralsnog onduidelijk. Als Reynaert verder helemaal nooit door Tybeert "neue" genoemd wordt, gaat de ironie van dit fragment, waarin Tybeert en Reynaert samen op weg gaan en Tybeert dus alles van Reynaert te verwachten heeft en zijn lot min of meer in Reynaerts handen gelegd heeft, verloren. Hs. A1160 heeft hier:

     Tybeert ende sijn oem reynaert.

Aangenomen mag worden dat het hier om een verschrijving gaat, daar Reynaert en Tybeert ongeveer even hoog geplaatste personen zijn aan het hof van Nobel. Misschien was de aanleiding een parallelzin in de scène met Bruun. De kopiisten van de hss. A en F hebben wel vaker parallellen gemaakt met de scène met Bruun, zoals bij voorbeeld in het fragment waarop ze begroet worden. In hs. A615 wordt Bruun aangesproken met "bruun heelt mare", Tybeert wordt in A1071 aangesproken met: "tybeert helet vry". Hs. B heeft hier in het geheel geen overeenkomstig auctoriaal commentaar.

 

B. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Tybeert

Ook in deze scène kunnen we een afspiegeling van de veranderende verhouding zien. Als Reynaert Tybeert in zijn macht heeft, verandert het "neve"397 in "Tybeert". Opvallend is, dat in de hss. A1086, F1073 en B1108 alleen de naam "tybeert" genoemd wordt398, alhoewel Reynaert hem nog geenszins in zijn macht heeft. Een mogelijke verklaring daarvoor kan zijn, dat hier de nadruk al voldoende op de "maeghscap" gelegd wordt399. Daarna is het een en al "neve" wat Reynaerts klok slaat, tot en met het discutabele gesprek over het eten van die avond aan toe. Daarna geeft Tybeert zich in zijn gulzigheid bloot en wordt hij in het vervolg aangesproken met "Tybeert" zonder meer. Er is echter nog een uitzondering, waar de kater "neve" genoemd wordt, en wel in de hss. A1142 en F1129. Hier kan echter geen reden voor gegeven worden, want Reynaert heeft daarvoor ook al de (quasi) gedachte geopperd door Tybeert in de maling te worden genomen (waarbij die in zijn "vroetheit" gesterkt wordt) en hij sprak hem daar (in A1147, F1134 en B1169) gewoon aan met "Tybeert". Alleen wanneer ze bij het gat in de schuur aangekomen zijn (A1176, F1164 en B1197), is het logisch verklaarbaar, dat Reynaert weer even in zijn rol van vleier terugvalt en Tybeert aanspreekt met "neue", maar dat wordt al snel weer gewoon "Tybeert" als hij hem echt aansporen moet.

   We zien dat de frasen van B1115 en B1138 ten opzichte van de andere versies alleen staan. B1115 is verklaarbaar uit het feit, dat Tybeert nog niet toegehapt heeft en Reynaert dus nog volop slijmen moet en dat doet door hem aan te spreken met "neue". Het voorkomen van de aanspreekvorm "tybert" in B1138 is eveneens verklaarbaar. Het gaat hier om de ambigue passage over het eten. Logischerwijs komt het meeste van wat er gezegd wordt in de hss. A en B op Tybeerts naam, want het fragment begint met: "Tybeert sprac" (A1109 en B1131). De volgende keer dat er iemand sprekend opgevoerd wordt, is in A1117 en B1139:

     Tybeert sprac mine roukes niet.

Aangezien er tussen beide regieaanwijzingen slechts sprake is van een gespreksweergave, is een logische conclusie dat daartussen iemand anders het woord gevoerd heeft (zoals in hs. F duidelijk het geval is), en dat dat op een of andere manier duidelijk gemaakt wordt. In B1138 kan dit gebeurd zijn door middel van weergave van de aangesproken persoon: "Wat seg di tybert moechdise yet". Hs. A blijft hier technisch gezien in gebreke. Daar is de dubbelzinnigheid dan ook het grootst.

 

 

Scène 3: De indaging door Grimbeert

 

Uiteraard speelt zich ook tussen Grimbeert en Reynaert bij de indaging het spel met de aanspreekvormen af, evenzeer als dat in de scènes met Bruun en Tybeert het geval is.

 
A. Grimbeert als sprekend personage t.o.v. Reynaert

Grimbeert noemt Reynaert vrijwel altijd "oem" (het "here reynaert" van F1357 doet daar niet veel vanaf). De reden van het consequente gebruik van deze aanspreektitel is wellicht gegeven in het feit, dat hier echt sprake is van een familierelatie400. Ook auctoriaal wordt Reynaert meermalen als Grimbeerts oom opgevoerd, zoals in A1361 en F1349, als Grimbeert te Mapertuus aankomt, en in A1365, F1353 en B1383, als Grimbeert Reynaert en Hermeline begroet. Eenmaal noemt Reynaert zichzelf Grimbeerts oom en wel in B1682-1683:

     Jc bin v oom v souds vernoeyen

     Spraeckic van vrouwen dorperheit,

waarin de familieband als reden gegeven wordt over de verhouding met Hersinde in bedekte termen te spreken.

 

B. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Grimbeert

Driemaal - in B1703, als Reynaert penitentie doet, in B1775, als ze samen aan het hof arriveren en in B1782, als ze naar de koning toe lopen - wordt Grimbeert door de auctoriale vertellen als "neue" opgevoerd. Nooit zien we in hs. B Reynaert Grimbeert met alleen zijn naam aanspreken401, wat logisch aansluit bij Grimbeerts consequente gebruik van de aanspreektitel "oem" voor Reynaert (in hs. F1442 zegt Reynaert:

     Nv hort oem ende verstaet

tegen Grimbeert, maar dat is duidelijk een fout van de kopiist).

   Ook hier mag gesteld worden, dat hs. B het meest consistent is. Dat Reynaert noch Grimbeert met naam alleen aangesproken wordt, is voorspelbaar aangezien de personages in de vorige twee scènes dit slechts dan doen, wanneer de spreker in een machtspositie ten opzichte van de ander verkeert. Dat gebeurt in deze scène niet. Overigens mag de redenering niet omgekeerd worden. De aanspreekvormen "oem" en "neue" drukken hier niet uit, dat de een iets van de ander gedaan wil krijgen of dat de ander gepaaid wordt. "Oem" en "neue" drukken hier slechts een familierelatie uit, die kennelijk niets te wensen overlaat402.

 

 

Scène 4: Reynaert veroordeeld

 

Aan het hof gekomen probeert Reynaert de anderen meteen om zijn vinger te winden, doch dat pakt anders uit. De koning valt hem in de rede en vervolgens beginnen de andere dieren hun beklag te doen. Reynaert probeert zich daar uit te praten, doch dat mag niet lukken. Nobel spreekt Reynaert in deze scène in alle versies consequent aan met "reynaert", hoewel die als pair recht zou hebben op een aanspreektitel als "heer reynaert". Nobel behandelt Reynaert niet vertrouwelijk-intiem403, omdat hij niets van Reynaert te verwachten heeft. Reynaerts positie wordt in hs. A1811 nog verder aangetast door het ironische: "heere dief reynaert"404.

 

A. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Nobel

Het moge duidelijk zijn, dat de relatie met de koning het best uitgedrukt wordt met de betiteling ".coninc. heere". In hs. A wordt dat niet consequent volgehouden. Vooral dat Reynaert de koning tijdens zijn verdediging "coninc lyoen" zonder meer noemt405, lijkt onlogisch, want ondoordacht vermetel in de gegeven situatie.

 

B. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Ysegrim, Bruun en Tybeert

Voordat Reynaert zijn verzoek doet de openbare biecht te houden, stuurt Reynaert Ysegrim, Bruun en Tybeert er op uit de galg in gereedheid te brengen. Ysegrim, Bruun en Tybeert richten hierbij het woord niet tot Reynaert, Reynaert (uiteraard) wel tot hen.

   Alles lijkt hier door elkaar te lopen en voor elke versie is even veel te zeggen. Het enige wat in het tot nu toe ontdekte stramien past, is dat Reynaert Tybeert in hs. B nooit met "heer" aanspreekt (Tybeert werd in de vorige "scènes ook niet met "oom", maar met "neue" aangesproken). In de hss. A1934 en F1924 wordt Tybeert met Ysegrim en Bruun op een hoop gegooid en zegt Reynaert tegen alle drie: "ghi heeren cort mine pine". En in A1995 en F1986 zegt Reynaert: "heere brune ende heere tybeert", welke twee ook onderling middels hun aanspreekvormen gelieerd lijken406.

   Verder lijkt het er op, dat Reynaert zich in hs. B vooral tot Ysegrim richt. Hij begint met hem bij de naam te noemen in B1963 als hij hem zegt voort te maken407. Vrijwel meteen daarna noemt hij hem "Her ysegrim" (B1970) om vervolgens de aandacht op hun relatie te vestigen door zichzelf als Ysegrims "neue" te afficheren. Deze passage kan ironisch opgevat worden. Evenzeer is dat het geval in de passage van B1992-1993, waar hij Ysegrim met "lieue oom" aanspreekt. In dezelfde situatie spreekt hij Ysegrim in de hss. A1987 en F1978 aan met "Heere ysingrijn".

   Bruun en Tybeert worden in hs. B uitsluitend bij hun naam genoemd, behalve misschien in B1971, waar Reynaert zichzelf "neue" noemt. Maar wellicht slaat dit "neue" niet terug op de relatie met Bruun, maar - zoals hierboven betoogd - op die met Ysegrim.

   In de hss. A en F is zo'n ontwikkeling ook vaag waar te nemen. Ysegrim wordt in A1940 en F1931 aangesproken met "Her ysingrijn", evenals in A1987 en F1978, als Ysegrim Reynaert in Hersinde's handen gegeven heeft. Vervolgens wordt het "her ysingrijn soete oem" (A1993), respectievelijk "ysegrim suete oem" (F1984).

   Bruun wordt in de hss. A1942 en F1933 bij zijn naam aangesproken als Reynaert hem en Ysegrim zegt op te schieten, maar direct daarna benadrukt Reynaert hun relatie door zichzelf boosaardig:

     Reynaert huwen neve den fellen roden (A1943 en F1934)

te noemen. Bij de beschuldiging dat Reynaert onrecht gedaan wordt, noemt hij Bruun weer "heere brune" (A1995 en F1986).

 

 

Scène 5: Reynaerts openbare biecht

 

In Reynaerts openbare biecht die volgt, worden Reynaert, de koning, de koningin en Cuwaert als sprekende personages opgevoerd.

 

A. Koning Nobel als sprekend personage t.o.v. Reynaert

Nobel staat in de hiërarchie boven Reynaert, dus is het niet vreemd als hij hem slechts met de naam aanspreekt408. Dat hij hem in B2639 "heer reynaert" noemt, is te verklaren uit het feit, dat Nobel niet weet waar Kriekeputte ligt. Hij probeert Reynaert door vriendelijkheid ertoe te bewegen samen de schat op te gaan graven.

 

B. De koningin als sprekend personage t.o.v. Reynaert

Ook de koningin staat in de hiërarchie veel hoger dan Reynaert, vandaar de consequente aanspreektitel “reynaert”.

 

C. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Nobel

Opvallend is, dat Reynaert in hs. B de koning nooit alleen "coninc" noemt409, zelfs niet als die er slechts bij staat en niet rechtstreeks aangesproken wordt, zoals in hs. B2242. Reynaert staat uiteraard lager in de hiërarchie, bovendien bevindt hij zich in een afhankelijke positie ten opzichte van Nobel, aangezien hij moet zien te bewerkstelligen dat die vrijspraak verleent410. Deze consistentie is alleen in hs. B aan te treffen. De andere versies vertonen niet zo'n regelmaat.

 

D. Reynaert als sprekend personage t.o.v. de koningin

Reynaert staat ook ten opzichte van de koningin op een hiërarchisch lagere plaats en ook met haar, evenals met de koning, heeft hij een afhankelijkheidsrelatie. Hij noemt haar eenmaal "coninghinne" en spreekt haar tweemaal met "vrauwe" aan. Helaas is dat te weinig om een eventuele theorie voor wat betreft het gebruik van deze aanspreekvormen op te baseren.

 

E. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Cuwaert

Ten aanzien van Cuwaert zijn de handschriften weer zeer consequent. Reynaert spreekt de haas nooit anders dan met zijn naam aan.

   Cuwaert bevindt zich dan ook altijd - aleen al vanwege zijn aard en karakter - in een "underdog"-positie411. Ook al is Reynaert hier in zekere zin afhankelijk van hem (hij moet immers Reynaerts verhaal bevestigen), hij begint hem niet te paaien, zoals alle andere dieren onderling in zo'n situatie doen412. De dieren die Reynaert wel poogt te paaien, hebben alle een eigenschap waarmee Reynaert moet wedijveren: is het niet kracht, dan is het wel slimheid. Cuwaert heeft niets waarvoor Reynaert direct bevreesd zou moeten zijn. De beste manier om de angsthaas aan te pakken, is hard optreden. Zo ongeveer lijkt de (al of niet bewuste) redenering van Reynaert geweest te zijn nu hij Cuwaert op deze manier aanspreekt. Verschillen tussen de versies zijn er niet; voor wat betreft de aanspreektitels voor Cuwaert komen ze voor 100% overeen.

 

 

Scène 6: Reynaerts wraakactie t.o.v. Bruun, Ysegrim en Hersinde413

 

Als Reynaert Bruun, Ysegrim en Hersinde laat mishandelen om schoenen en een pelgrimstas van hun vel te laten maken, treden behalve Reynaert, de koningin en Hersinde op als sprekende personages.

 

A + B. De koningin en Reynaert als gesprekspartners

Alle versies geven hetzelfde beeld. Reynaert en de koningin bevinden zich nog altijd in dezelfde hiërarchische situatie ten opzichte van elkaar414. Reynaert wordt de gehele tijd al bij zijn naam genoemd door de koningin en haar heeft hij al eerder met "Vrauwe" aangesproken. Er is voor geen van beiden reden hiervan nu af te wijken.

 

C+D. Hersinde en Reynaert als gesprekspartners

Hersinde heeft na de mishandeling niets meer van Reynaert te verwachten, bovendien zal ze boos zijn en pijn hebben; dat ze zich niet bekommert om een passende aanspreekvorm (als we al aannemen dat ze zich in een afhankelijke positie voelt) en Reynaert met zijn naam aanspreekt, is derhalve zeer verklaarbaar. Wel wekt het enige bevreemding, dat Reynaert Hersinde in alle versies met "Moye" aanspreekt. Maar misschien noemt hij haar wel zo om te benadrukken dat ze een verhouding gehad hebben. Dit kan er dan ook de reden van zijn over Ysegrim in A2853 te spreken als over "mijn oem ysingrijn" en in F2821 en B2849 zelfs over "mijn oem her ysegrim". Hier is dit in elk geval smalend op te vatten.

 

 

Scène 7: Het vertrek van het hof

 

Reynaert neemt afscheid van de koning en de koningin en probeert Bellijn en Cuwaert ertoe te bewegen hem te vergezellen op zijn tocht. In deze scène vinden we alleen Nobel en Reynaert die tegen elkaar spreken. Verder spreekt Reynaert ook tegen de koningin, Cuwaert en Bellijn.

 

A. Nobel als sprekend personage t.o.v. Reynaert

Nobel heeft Reynaert nooit anders dan met alleen zijn naam aangesproken. Dat wordt hier consequent voortgezet.

 

B. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Nobel

Reynaert noemt de koning consequent "heer"415 of "heer coninc". Ook dat wordt hier voortgezet. Een mogelijke verklaring voor het "HEer coninc" in hs. B3032 is, dat de koning hier echt niet verder mee mag, omdat hij anders ontdekt zou hebben dat Reynaert helemaal niet van plan is op pelgrimage te gaan. Reynaert bevindt zich hier dus in een positie dat hij iets van de koning wil, namelijk zijn terugkeer. Vandaar misschien, paaiend: "HEer coninc".

 

C. Reynaert als sprekend personage t.o.v. de koningin

De koningin wordt consequent met "vrauwe" of iets dergelijks aangesproken. Ook hier.

 

D. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Cuwaert

Reynaert heeft van Cuwaert niets te verwachten of te vrezen. Reynaert voelt zich ver boven Cuwaert verheven en gebruikt dus geen vleivorm. Hij wil Cuwaert mee hebben, omdat die de koning eventueel naar Kriekeputte zou kunnen brengen, waar dan geen schat zal blijken te liggen. Door Cuwaert met zijn naam aan te spreken, geeft Reynaert hem eigenlijk weinig keus.

 

E. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Bellijn

Ook van Bellijn heeft Reynaert niets te verwachten of te vrezen en ook hem laat hij door de gekozen, dwingende aanspreekvorm in de vorm van zijn naam weinig keus.

 

 

Scène 8: De wraak op Cuwaert en Bellijn416

 

Cuwaert en Bellijn gaan met Reynaert een eind op weg. Bij Mapertuus aangekomen, vermoordt Reynaert de haas en eet hem met zijn gezin op. De kop van de haas geeft hij aan Bellijn mee. Behalve tussen de drie hoofdrolspelers in deze scène - Reynaert, Cuwaert en Bellijn; al is het opvallend dat Cuwaert en Reynaert niets tegen elkaar zeggen - vindt hier communicatie plaats tussen Reynaert en Hermeline, zijn vrouw.

 

A. Bellijn als sprekend personage t.o.v. Reynaert

In deze scène is voor wat betreft de aanspreekvormen die Bellijn gebruikt een mooie lijn te zien. Als Cuwaert lang op zich laat wachten en Bellijn lont begint te ruiken, spreekt hij Reynaert aan met "Heere". Waarschijnlijk is dit mede ingegeven door angst. Dan komt Reynaert met de "brieue" op de proppen en weet Bellijn blijkbaar niet goed wat hij met het voorstel aan moet en noemt hij hem "reynaert". Als hij de tas aangenomen heeft (en dus overtuigd is van het nuttig gebruik ervan), noemt hij hem "Heere reynaert". Alleen hs. F3274 wijkt af, en het foutieve A3296, waar de personen verwisseld zijn.

   Hs. B3316 en B3327 heeft overigens een aardige overgang van "Heere reynaert" naar "reynaert' in: "neue ende heer", gevolgd door "lieue reynaert".

 

B. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Bellijn

Behalve het al eerder gesignaleerde foutje in hs. A3296 wijken de versies slechts op twee plaatsen van elkaar af: in B3079 en B3232 wordt Bellijn met de naam aangesproken, terwijl in de andere versies de aanspreektitel "Heere" gebezigd wordt417. In de hss. A en F lopen de aanspreekvormen "neve" en "Heere" door elkaar. In hs. B wordt Bellijn slechts eenmaal "Heer" genoemd en wel in B3286, waar hij de "scerpe" omgehangen krijgt, wat iets weg heeft van een ridderlijke daad en zo logisch te verklaren is.

   Dat Reynaert de ram in B3079 en B3232 in tegenstelling tot de andere versies niet met "Heere" aanspreekt, is - zij het met enige moeite - wel te verklaren. In B3079 zou het kunnen zijn, dat hij hem - zoals al eerder gebeurd is - geen keuze wil laten. In B3232 noemt hij hem "lieue bellijn" - in F3179 overigens: "lieue here" - nadat Bellijn suggestieve vragen stelde over wat er in het hol voorgevallen zou kunnen zijn. Al te veel slijmen zou in Reynaerts nadeel uitgelegd kunnen worden.

   Als Reynaert iets van Bellijn wil, noemt Reynaert hem "neve"418; als hij hem tot iets wil dwingen of tot andere gedachten wil brengen, noemt hij hem - in hs. B althans - bij zijn naam.

   Eenmaal wordt Bellijn auctoriaal als "heere" aangeduid, en wel in A3271 en F3239:

     Dit loofde mijn heere belijn,

wat waarschijnlijk niet oorspronkelijk is, aangezien de dieren vrijwel nooit auctoriaal met een dergelijke aanspeekvorm betiteld worden. Wel zou het kunnen voorkomen, dat Bellijn Reynaerts vriend genoemd wordt, zoals in A3274, F3242 en G3242:

     Sinen vrient beline [...],

maar erg voor de hand liggend is ook dat niet, omdat de verteller zich verder geheel buiten de onderlinge verhoudingen tussen de dieren houdt.

 

C. Hermeline als sprekend personage t.o.v. Reynaert

Hermeline spreekt Reynaert consequent met "Reynaert" aan419.

 

D. Reynaert als sprekend personage t.o.v. Hermeline

Reynaert spreekt Hermeline consequent met "vrauwe" aan - het geïsoleerd staande F3289 ("ermeline") zal wel fout zijn. Hieruit spreekt de hoogachting voor Hermeline. Tevens doet dat erg denken aan de Arthurromans en de hoofse liefde die daarin aan de orde is.

 

E+F. Cuwaert en Bellijn als gesprekspartners

Cuwaert en Bellijn spreken elkaar hier met de naam aan.

   Ook als Reynaert het geroep van Cuwaert zogenaamd weergeeft, gebruikt hij in F3204 en B3258 Bellijns naam alleen.

 

In de hss. A3103, F3069 en E3070(a) spreekt Reynaert tegenover Hermeline over Bruun en Ysegrim als over:

     Heere brune ende heere ysengrijn

(in hs. F3069 wordt alleen Bruun met "Har brune" aangeduid), terwijl hij ze in hs. B gewoon met hun naam aangeeft. Later, in A3195 en F3163 heeft hij het slechts over "bruun" tegen Hermeline. Het lijkt me onlogisch, dat Reynaert het tegenover zijn vrouw over deze dieren met de genoemde aanspreekvormen heeft. De inhoud van A3195:

     No bruun die na mijn oem was,

lijkt me overigens helemaal onzinnig, want Hermeline zal toch wel weten dat Bruun in het geheel niet bijna een oom voor Reynaert was. In de rest van de tekst komt dit ook verder niet aan de orde420.

 

 

Scène 9: Eerherstel voor Ysegrim en Bruun

 

Als Bellijn aan het hof terugkomt en de inhoud van de tas bekend maakt, wordt de ram ter beschikking van Ysegrim en Bruun gesteld. Men besluit Reynaert alsnog te laten hangen.

   In deze scène treedt Reynaert niet op als sprekend personage, wel zijn er andere dieren die ten opzichte van elkaar aanspreekvormen gebruiken.

 

A. Nobel als sprekend personage t.o.v. Bellijn

We hebben reeds eerder gezien, dat koning Nobel andere dieren vrijwel nooit met "Heere" aanspreekt (hij doet dat wel in A3338 en F3306, maar niet in het verder overeenkomstige B3346). Hier is daar ook geen reden toe, integendeel: hij moet al nattigheid voelen als hij Bellijn met Reynaerts "scerpe" en zonder Cuwaert terug ziet komen.

 

B. Bellijn als sprekend personage t.o.v. Nobel

Wanneer de dieren de koning rechtstreeks aanspreken, doen ze dat altijd door middel van de formule "her coninc". Dat Bellijn dat hier anders zou doen en hem aanspreken met “coninc”, volgens de hss. A en F, lijkt derhalve onlogisch en niet in het systeem passend. In hs. B gebeurt het niet. Op de plaatsen waar hij in de hss. A en F de koning met "coninc" aanspreekt, vermijdt hij in hs. B het gebruik van een aanspreektitel.

 

C. Botsaert als sprekend personage t.o.v. Nobel

Hetzelfde als ten aanzien van de aanspreekvormen van Bellijn tegenover de koning gezegd is, is ook hier van toepassing. De koning dient - naar de rest van het verhaal te oordelen - met "Heere coninc" aangesproken te worden. Hs. B is ook hier dus consequent, in tegenstelling tot A en F.

 

D. Firapeel als sprekend personage t.o.v. Nobel

Ook hier geldt, dat het inconsequent zou zijn om de koning anders dan met "heere" aan te spreken. De enige keer dat het voorkomt is in F3361, maar door het gebruik van het lidwoord "den" is hier niet geheel duidelijk of Firapeel de koning hier met deze woorden aanspreekt of dat de tekst zo gelezen moet worden dat slechts medegedeeld wordt, dat hij tegen de koning spreekt.

Over de koning sprekend gebruikt Firapeel eveneens de titel "heere" in A3436 en B3442, als hij Ysegrim en Bruun opzoekt. Daarna, in A3447 en B3453; A3453 en B3459; A3455 en B3461 en A3459 ("de coninc lyoen") wordt het al heel snel "Die coninc" en niet meer "Mine heere"!

   Dat Firapeel over Bellijn als over "heere belin" (A3442) spreekt, lijkt op zijn minst gezegd vreemd, omdat Bellijns bedrog al uitgekomen is en hijzelf veroordeeld. Bellijn heeft in het geheel geen aanspraak meer op die titel. Ook auctoriaal wordt Bellijn een keer met "mijn her bellijn de ram" (F3298) aangeduid (als hij aan het hof verschijnt). Ook hiervoor lijkt geen reden te zijn en is het niet in de geest van het geheel.

 

E. Firapeel als sprekend personage t.o.v. Bruun en Ysegrim

Firapeel noemt Bruun en Ysegrim "heeren”. Met deze aanspreektitel kan aangegeven zijn, dat de twee gerehabiliteerd zijn.

 

F. Ysegrim als sprekend personage t.o.v. Bruun

Ysegrim noemt Bruun "heere". Ook hiermee kan Ysegrim de rehabilitatie van Bruun aangegeven hebben.

   In hs. A3406 had koning Nobel ook al gesproken over "heere brune ende heere ysingrijn" toen hij zich erover beklaagde die twee te kort gedaan te hebben.

 

Alle aanspreekvormen overziend, is er m.i. geen andere conclusie mogelijk dan dat hs. B voor wat dit betreft het meest consistent in elkaar steekt421. Alles op dit gebied is in hs. B te verklaren en er is een duidelijk stramien waarneembaar waar deze versie niet of nauwelijks van afwijkt.

 

Deze tendens zet zich in het vervolg van hs. B (en C) voort422. Telkens weer valt op dat achter een bepaalde aanspreekvorm in hs. B (en C) een reden steekt. Die redenen verschillen in het vervolg van B niet van het gedeelte tot aan B3468. Ook het spel met de aanspreekvormen laat dus zien dat hs. B een consistente versie van het Reynaertverhaal weergeeft423.

 

Vorig hoofdstuk: IV Van aangeklaagde tot aanklagerVolgend hoofdstuk: DEEL V: OVERIGE MOTIEVEN