6. Motievenonderzoek
Lezing van de versie van het verhaal zoals in A en F neergelegd, stelt ons buitendien soms voor problemen en inconsequenties, vooral als het gaat om de ontwikkeling van motieflijnen. Volgens Blok (1960) legt de lezer van een verhaal temporeel, causaal dan wel consecutief verband tussen opeenvolgende zinnen, aldus een lijnstuk ziend. Gelijksoortige lijnstukken kunnen op hun beurt samengevoegd worden tot motieflijnen oftewel motieven (als er een naamgeving plaatsvindt). Blok baseert zich op Tomashevskij's Teorija Literatury (1925), waarin diens sprookjesanalyses een neerslag gekregen hebben80. Het komt er o.a. op neer, dat een eenmaal in gang gezette gebeurtenis een afwikkeling behoort te krijgen en dat het geheel logisch in elkaar dient te steken. "Binnen de (fictionele) werkelijkheid van het verhaal dient het verloop van de gebeurtenissen logisch en overtuigend te zijn", formuleert ook Wackers (1986, p. 166-167)81. Dat komt wellicht, omdat "Vom Versepiker wird verlangt, daß er in jedem Augenblick das Ganze sehe und aus den Teilen das Ganze entstehen lassen könne" (Arendt 1965, p. 216).
Zo kunnen we ons met Lulofs 1983, p. 284, bijvoorbeeld afvragen waarom Reynaert niet meteen vlucht als hij naar het hof ontboden wordt, we kunnen ons ook afvragen waarom hij niet vlucht als Grimbeert hem indaagt, maar zich integendeel in het hol van de leeuw waagt of waarom hij later - als hij vrijgesproken is - wél vlucht, we kunnen ons verder afvragen wat hem het recht verleent Hersinde te laten toetakelen als hij zijn pelgrimage onderneemt en of het wel terecht is dat hij ter dood veroordeeld wordt. Volgens Duinhoven 1975, p. 455-456, is de "hypothese van het perfecte origineel [ - Duinhoven heeft het hier ook over vormaspecten - ] voor de tekstkritiek op de archtypus zelfs onontbeerlijk. Onregelmatigheden kunnen duiden op wijzigingen in de tekst en geven daarom reden tot een nader onderzoek. Zonder het vermoeden van corruptie is de herkenning, de analyse en het herstel van tekstbederf niet mogelijk. Dat ligt anders wanneer de overgeleverde redacties onderling verschillen. De eerste twee fasen in de tekstreconstructie, het opsporen en aantonen van de corruptie vergen dan weinig inspanning: varianten bewijzen zonder meer dat er wijzigingen zijn aangebracht. Inventarisering en bestudering der varianten is dus een eerste stap tot systematisch tekstkritisch onderzoek. [...] Ook zonder dat we de auteur, zijn werkwijze of zijn vakbekwaamheid kennen, kunnen we van een aantal gegevens zeker zijn. De dichter heeft een verhaal willen vertellen. Hij beschrijft personen en gebeurtenissen niet voor zichzelf, maar voor een publiek van lezers en luisteraars. Hij moet daarom in begrijpelijke taal spreken en de handelende personen op aanvaardbare wijze laten optreden; het verloop van de handeling, de opeenvolging der gebeurtenissen moet duidelijk worden geschetst. De auteur is daardoor gebonden aan allerlei wetten en wetjes van de waarschijnlijkheid, die hij niet mag overtreden op straffe van misverstand. Een zwaargewonde ridder is niet opgewassen tegen een sterke legermacht, op een dood paard kan men niet rijden, in een straat niet verdrinken. Wanneer één man een leeg huis binnengaat, kunnen er niet twee personen uitkomen. Wanneer tegenspraak als deze niet worden opgeheven door de toevoeging van verklarende details, zijn het inhoudelijke onregelmatigheden, die de auteur zal vermijden, omdat hij verstaan en begrepen wil worden."
Het is evident dat we de verschillende Middelnederlandse Reynaertteksten mogen zien als verschillende versies van een en hetzelfde verhaal, dat als uitgangspunt heeft gediend. En dus mogen we de verhalen dan ook onderling vergelijken en in de ene Reynaertversie een verklaring zoeken voor een merkwaardigheid of open plek in de andere Reynaertversie teneinde een idee te krijgen van de oorspronkelijke Middelnederlandse Reynaert: het verhaal dat aan het begin van de kopieercyclus moet hebben gestaan82. We weten namelijk niet hoe die kopieercyclus is verlopen. Het is heel goed mogelijk dat de drie versies A, F en B niet in elkaars verlengde gezien moeten worden, maar dat er onderweg een afsplitsing geweest is. Elke tekst werd niet één, maar talloze malen gekopieerd. Een kopiistenfout in de ene tak zou dan teniet gedaan kunnen worden door een (logisch passende) passage in een andere tak ervoor in de plaats te stellen. Op sommige plaatsen is het daarbij ook nog eens lastig uit te maken of we te maken hebben met een verschrijving van de meer logische passage, dan wel met een creatieve oplossing van een onlogisch stuk (dat dan echter wel weer het gevolg zal moeten zijn van een vergissing).
Na onderzoek van de motieflijnen in de verschillende versies van het verhaal zou derhalve wellicht een uitspraak gedaan kunnen worden over het meest authentieke Reynaertverhaal. Daarbij moet er zoveel mogelijk vanuit gegaan worden dat elke plaats in de tekst correct is, tenzij hij onzin dan wel interpretatieproblemen oplevert. Met Duinhoven 1981 ga ik uit van de algemene veronderstelling, "dat de auteur een goed samenhangend verhaal heeft geschreven zonder storende onregelmatigheden."83 "[...] de schrijver gaat uit van een conceptie; hij geeft weloverwogen vorm aan een idee. Anders dan de lezer heeft hij voor ogen hoe het verhaal (ongeveer) zal verlopen, welke personen er optreden en hoe ze handelen. Hij ontwerpt de plot, schept de personages, voorziet ze van eigenschappen en bedeelt ze een rol toe. Inhoudelijke onregelmatigheden, inconsequenties, tegenspraken, zullen daardoor zeldzaam zijn. Personen veranderen niet plotseling van karakter, zij leggen niet opzettelijk tegenstrijdige verklaringen af, zij treden niet op inconsistente wijze op84. [...] Wanneer een tekst bij nauwkeurige analyse inderdaad inhoudelijke onregelmatigheden blijkt te bevatten die bezwaarlijk aan een auteur kunnen worden toegeschreven, is er reden de oorzaak in de tekstoverlevering te zoeken" (Duinhoven 1981, p. 330). Wanneer de versies onderling verschillen vertonen, moet nagegaan worden welke van de versies het meest plausibel is, in aanmerking genomen de volgende en de voorafgaande tekst, alsmede de structuur en de gehele motievenopbouw85, waarbij er ook hier vanuit gegaan kan worden: "onafhankelijke argumenten die op eenzelfde ontwikkeling duiden, steunen elkaar; zij verhogen de waarschijnlijkheid. Een aantal kleine aanwijzingen, die op zichzelf bezien weinig waarde hebben, kunnen tezamen een reconstructie waarschijnlijk maken. Dit cumulatieve effect valt niet te ignoreren" (Duinhoven 1981, p. 208). Het signaleren van merkwaardigheden en fouten moge dan misschien inderdaad geschieden op basis van hedendaagse vooronderstellingen, die de lezers/toehoorders en kopiisten/omwerkers van de Reynaert destijds niet hadden86, wij hebben dat overzicht nu eenmaal wel (ten dele) en waarom zouden we daar geen gebruik van maken? Verder mogen we uiteraard onze kennis van afschriften (met alle mogelijke fouten die deze monnikenarbeid in de loop der jaren met zich meegebracht heeft) niet negeren.
